De ‘Palatijnse Medea’

Over ruim drie maanden is het weer zo ver: de inmiddels zesde editie van de Nationale Romeinenweek (4 t/m 12 mei 2019) met dit jaar als thema ‘vrouwen in de Romeinse tijd’. Reden voor NOCTUA Educatie om in het leven van een bekende Romeinse vrouw te duiken: Clodia Pulchra.

De meest losbandige vrouw van haar tijd

Dat wat we denken te weten over Clodia Pulchra hebben we met name te danken aan de overlevering van een van de meest succesvolle redevoeringen van de befaamde staatsman Marcus Tullius Cicero (106 – 43 voor Christus): de Pro Caelio. Clodia zelf zou vermoedelijk minder blij zijn geweest met de overlevering van deze redevoering waarin haar naam in meerdere paragrafen door het slijk wordt gehaald. We kennen haar dan ook als een van de meest losbandige vrouwen die in de eerste eeuw voor Christus in Rome leefde. Aan de hand van deze bron en het werk van een andere belangrijke tijdgenoot, Catullus, volgt een uiteenzetting over wat wij weten over deze aristocratische dame met een reputatie.

m-t-cicero
Buste van Marcus Tullius Cicero, gemaakt door Bertel Thorvaldsen naar een Romeinse kopie, Thorvaldsens Museum, Kopenhagen. © Publiek domein

Marcus Caelius Rufus

Om de benoeming van Clodia Pulchra in de Pro Caelio beter te begrijpen, moet er allereerst een achtergrond schets worden gegeven inzake de kwestie waar deze verdediging toe diende. Cicero hield deze toespraak op 4 april in het jaar 56 voor Christus. De man in het beklaagdenbankje was Marcus Caelius Rufus (hierna Caelius), die evenals Cicero een orator was. Sterker nog, Caelius was bij Cicero in de leer geweest en een goede vriend.

Deze vriendschap was echter wat bekoeld toen Caelius zich inliet met Lucius Sergius Catilina. Laatstgenoemde Romeinse staatsman had twee pogingen gedaan om een staatsgreep te plegen. Tijdens zijn tweede poging in 63 voor Christus wist Cicero – die op dat moment consul was, samen met Gaius Antonius Hybrida – diens plannen te ontwaren en Catilina hiermee te confronteren. Catilina zou vervolgens de moord op Cicero hebben beraamd hetgeen Cicero hem ook voor de voeten gooide. Catilina ontvluchtte de stad en zijn medestanders werden gearresteerd, verhoord en geëxecuteerd.

“Cicero hekelt Catilina in de Senaat”, geschilderd door Cesare Maccari in 1889 © Publiek domein

Na de ‘zaak Catilina’ bracht Caelius twee jaar door in Afrika onder Quintus Pompeius Rufus. Eenmaal terug in Rome trachtte hij een naam voor zichzelf te maken (Cicero, Caelio, 73) en spande een rechtszaak aan tegen Cicero’s oud-collega Gaius Antonius Hybrida; een rechtszaak die hij won ondanks de verdediging van Cicero ‘himself’. (Cicero, Caelio, 73-74; 76).

Poging tot moord op Dio van Alexandrië

De rechtszaak tegen Hybrida werd Caelius niet in dank afgenomen door Cicero. Desalniettemin wierp hij zich op voor de verdediging van zijn oud-leerling in 56 voor Christus. Caelius werd beschuldigd van maar liefst vijf misdaden, te weten:

  1. Het aanzetten tot onrust in Napels.
  2. Het deelnemen aan moord op een delegatie van 100 Alexandrijnen onderweg van Puteoli naar Rome.
  3. Het beschadigen van eigendommen in Palla.
  4. Het aannemen van goud om de moord op Dio van Alexandrië te beramen.
  5. Het voorbereiden van een complot om de persoon die het goud had verstrekt te vergiftigen.

De meest ernstige aanklacht tegen Caelius betrof de moord op de filosoof Dio van Alexandrië, een ambassadeur die naar Rome was gestuurd om een zaak van zijn stadgenoten te behartigen. In 58 voor Christus was farao Ptolemaeus XII namelijk naar Rome gevlucht waar hij steun hoopte te vinden bij de Senaat om hem opnieuw als farao aan te stellen. Dit zagen de Alexandrijnen zelf absoluut niet zitten en dus werd Dio er op uitgestuurd, samen met een delegatie van honderd man, om hun zaak in Rome te bepleiten. Het geweld tegen deze delegatie begon al in Puteoli en is een van de aanklachten die Caelius in de schoenen werd geschoven.

Buste van Ptolemaeus XII ‘Auletes‘ (de fluitspeler), datering eerste eeuw voor Christus, Louvre Museum Parijs. © Publiek domein

Eenmaal in Rome aangekomen verbleef Dio van Alexandrië in het huis van Lucius Lucceius. Volgens de aanklagers zou Caelius goud hebben aangenomen om de slaven van Lucceius om te kopen en Dio te vergiftigen. Hoogstwaarschijnlijk was de poging tot moord door Ptolemaeus XII zelf beraamd, dus wat had deze zaak met Caelius te maken? Hij had een rechtszaak aangespannen tegen Lucius Calpurnius Bestia, maar deze verloren. Dat weerhield Caelius er echter niet van om Bestia nog een keer voor het gerecht te dagen. De geadopteerde zoon van Bestia, Lucius Semptonius Atratinus, wilde niet dat zijn vader opnieuw voor zou hoeven komen en dus werd deze rechtszaak tegen Caelius aangespannen. De twee andere aanklagers in deze zaak waren Publius Clodius (mogelijk de broer van Clodia Pulchra) en Lucius Herennius Balbus.

Clodius en Clodia

Alhoewel de zaak tegen Caelius onder andere was aangespannen door Atratinus, legt  Cicero in de Pro Caelio de verantwoordelijk bij één persoon neer en zegt dat ware het niet voor haar, er überhaupt geen zaak zou zijn geweest (Cicero, Caelio 31-32). De persoon in kwestie is Clodia Pulchra, geboren als Claudia Pulchra rond 94 voor Christus. Clodia was een telg van de aristocratische gens Claudia die een lange lijn consuls had voortgebracht (Cicero, Caelio 33), waaronder Clodia’s eigen vader Appius Claudius Pulcher.

Clodia had nog twee oudere zusters, beiden ook Claudia genoemd (Prima, Secunda en Tertia) en drie broers die actief waren in de politiek: Appius Claudius Pulcher, Gaius Claudius Pulcher en Publius Claudius Pulcher. Laatstgenoemde was een aartsvijand van Cicero en de vete tussen deze twee ging terug tot 62 voor Christus toen Clodius als vrouw verkleed de viering van Bona Dea bijwoonde in het huis van Julius Caesar, een ‘women-only’ plechtigheid. Claudius werd hiervoor aangeklaagd en uiteindelijk vrijgesproken. Cicero prikte echter door zijn leugens en alibi heen en had er nadien een serieuze vijand bij.

De rituelen voor Bona Dea werden door de Vestaalse maagden voorgeleid. “De Vestaalse maagden”, geschilderd door José Rico Cejudo tussen circa 1888 – 1895, Galería Rico Cejudo de la Casa Consistorial de Sevilla. © Publiek domein.

De volgende zet was nu aan Claudius die zich in 59 voor Christus met succes liet adopteren door een plebejische familie (P. Fonteius) om zich kandidaat te kunnen stellen als volkstribuun. Zijn naam veranderde hij hierna in het meer populaire Clodius (een naam die ik vanaf nu ook zal hanteren). Clodia was erg close met haar broer Clodius wiens politieke ideeën zij ondersteunde en ook zij veranderde haar naam van Claudia in Clodia. Dit alles tot grote gruwel van haar oudere echtgenoot Quintus Caecilius Metellus Celer die in 59 voor Christus overleed en voor wie Cicero bijzonder veel lof heeft (Cicero, Caelio, 34; 59-60).

Een van de eerste maatregelen die Clodius als volkstribuun nam, betrof het indienen van een wetsvoorstel dat ongunstig uitpakte voor Cicero: deze wet hield in dat iedereen die een Romeins burger zonder geldig proces ter dood had laten brengen, buiten de wet werd gesteld. Gezien het optreden van Cicero ten tijde van de tweede poging tot een staatsgreep door Catilina (lees: het arresteren, verhoren onder foltering en executeren van diens achterban) kon hij niet anders dan in ballingschap gaan. Zijn eigendommen werden vervolgens geconfisqueerd en zijn huis op het Palatijn verwoest. In 57 voor Christus keerde Cicero triomfantelijk terug naar Rome, maar de daden van Clodius – en de vermoedelijke bijdrage van Clodia bij het verwoesten van zijn huis – was hij niet vergeten.

Een verbroken vriendschap

Terug naar Caelius. Zoals gezegd won hij in 59 voor Christus de rechtszaak tegen Gaius Antonius Hybrida en had hierdoor een naam voor zichzelf gemaakt in Rome. Op dit moment ging hij op zoek naar een woning en huurde uiteindelijk een appartement van Clodius op het Palatijn. Caelius raakte bevriend met zowel Clodius als Clodia, maar verbrak deze vriendschap in 57 voor Christus. Bij Clodia ging deze vriendschap echter veel dieper volgens Cicero: zij had Caelius gespot en was halsoverkop verliefd op hem geworden (Cicero, Caelio 36). Toen Caelius de relatie met haar verbrak was haar eer gekrenkt en dus ziet Cicero haar aandeel in de zaak tegen Caelius als een poging tot wraak.

“Who is it”, geschilderd door Lawrence Alma-Tadema in 1863. © Publiek domein

Twee aanklachten in de zaak tegen Caelius gingen Clodia persoonlijk aan: ze zou goud hebben verstrekt aan Caelius om de moord op Dio in gang te zetten en dit zou reden voor Caelius zijn geweest om haar te vergiftigen (Cicero, Caelio 30-31). Hoe moest Cicero zijn vriend hieruit redden? Het antwoord was enerzijds om Caelius als de onschuld zelve te portretteren.

Als een vaderfiguur werpt Cicero zich op om alle laster die over Caelius wordt rond gespuid, te verwerpen. Ja, Caelius was zoals velen gezwicht voor de charmes van Catilina, maar deelname aan de staatsgreep was niet het geval (Cicero, Caelio, 10-15). Omkoping was niet aan een man als Caelius besteed, want waarom zou hij anders andere mannen hiervan betichten en voor het gerecht slepen? (Cicero, Caelio 16). En zo gaat Cicero door en verwerpt alle beschuldigingen aan het adres van Caelius, waaronder schulden, het leiden van een leven in luxe en zelfs het lastig vallen van vrouwen die ’s avonds na het diner terug naar huis keerden.

De ‘Palatijnse Medea

Cicero is wel zo eerlijk om aan te geven dat ook Caelius natuurlijk zijn fouten heeft gemaakt, maar deze wijt hij aan diens naïeve jeugdigheid en pleit zo zijn vriend vrij (Cicero, Caelio 40-43; 48). Een van de jeugdige misstappen die Caelius heeft begaan, is zijn relatie met Clodia. Cicero haalt vervolgens alles uit de kast om Clodia als de meest verderfelijke vrouw van zijn tijd neer te zetten, een ‘Palatijnse Medea’ om zijn eigen woorden te gebruiken (Cicero, Caelio 18).

Haar misdaden waren velen, waaronder de vergiftiging van haar man. Clodia wordt niet bij naam en toenaam genoemd, maar de luisteraar weet precies wie Cicero bedoelt wanneer hij spreekt over de mysterieuze omstandigheden van Metellus Celers dood en ‘de vrouw’ die ook maar over vergiftiging durft te praten terwijl zij zelf zich schuldig heeft gemaakt aan een eenzelfde vergrijp (Cicero, Caelio 59-60).

“Jason en Medea”, geschilderd door John William Waterhouse in 1907, privé collectie. © Publiek domein

Clodia wordt verder beticht een frequente gast van de badplaats Baiae te zijn, de speelplaats van ‘the rich and famous’. Hij spreekt over strandfeesten, weelderige banketten, overmatig drankgebruik, zingen en dansen en het maken van tochtjes op plezierschuiten (Cicero, Caelio, 35). Het stokpaardje van Cicero is echter Clodia’s seksualiteit. Hij spreekt over haar lust voor mannen en haar talloze (buitenechtelijke) affaires. Cicero insinueert zelfs meerdere malen dat Clodia een incestueuze relatie met haar broer Clodius heeft (Cicero, Caelio 32; 36; 78).

Het zijn echter andere veelvuldige benoemingen en insinuaties van Cicero die Caelius vrijpleiten: volgens hem is Clodia niets meer dan een prostituee (Cicero, Caelio, 34; 37; 38; 49) en een quadrantaria, vrij vertaald een ‘vierstuiverhoer’ (Cicero, Caelio, 62). Een jeugdige man als Caelius kan het dan ook niet kwalijk worden genomen dat hij hier gebruik van heeft gemaakt dan wel in de buurt van deze prostituee is gesignaleerd(Cicero, Caelio, 38; 49).

Hierna pakt Cicero de draad weer op en weerlegt met zijn logica de twee verwijten die nog openstaan, namelijk het aannemen van goud en het willen vergiftigen van Clodia (Cicero, Caelio, 51-69). Tussen de regels door deinst hij er niet voor terug om Clodia opnieuw door het slijk heen te trekken. 

Lesbia, de geliefde van Catullus

Clodia brengt het er dus niet goed vanaf in de Pro Caelio. Het zal weinig verrassen dat in bepaalde brieven van Cicero uit 59 voor Christus zij evenmin een complimenteuze bijnaam heeft gekregen, te weten ‘de koe-ogige’ (Cicero, Att, 2.9.1; 2.12.2; 2.14.1; 2.22.5; 2.23.3). Hiermee refereert Cicero naar een epitheton van de godin Hera (Juno), de zus van Zeus (Jupiter) met wie deze godin ook getrouwd is. Hiermee refereert Cicero naar de incestueuze relatie tussen Clodius en Clodia.

“Jupiter en Juno op Mons Ida”, geschilderd door James Barry tussen 1790-1799, Graves Art Gallery Sheffield. © Publiek domein

Tevens refereert hij in een van zijn brieven naar schandalige leuzen over Clodius en Clodia die gescandeerd werden tijdens een zitting van de Senaat toen Clodius het woord probeerde te nemen (Cicero, QFr, 2.3.2). Ook de historiograaf Plutarchus refereert in zijn biografie over Cicero (Parallele Levens) kort naar Clodia en gebruikt ook de term quadrantaria. Hij vermeldt tevens dat Clodius niet met één, maar met alle drie zijn zussen een incestueuze relatie onderhield (Plutarchus, Cic., 29.4).

Rest er nog één bron die hoogstwaarschijnlijk melding maakt van Clodia, namelijk de gedichten van een tijdgenoot van de hoofdpersonages in dit verhaal: Catullus. In totaal zijn er 116 carmina van Catullus overgeleverd en in circa 25 van deze gedichten refereert hij naar een vrouwelijke geliefde die hij Lesbia noemt. De liefde die Catullus voelt voor Lesbia gaat diep en de lezer beleeft een veelvoud aan emoties: van kalverliefde tot woede, verdriet en berusting. Lesbia is er namelijk eentje die het niet bij een minnaar houdt, maar van meerdere walletjes eet.

Er is goede reden om aan te nemen dat Lesbia de schuilnaam is voor Clodia Pulchra met wie Catullus een relatie had. Enkele ‘give-always’ zijn de benoeming van een zekere Caelius en Rufus die Catullus een goede vriend noemt, een broer zelfs. Maar Catullus komt bedrogen uit en zijn vriendschap was tevergeefs (Catullus, Carmen 77; 100). In Carmen 79 lijkt Catullus ook de incestueuze relatie tussen broer en zus te suggereren:

Lesbius is pretty. Why not? Lesbia prefers him
more than you with your whole people, Catullus.
But still, the pretty boy would sell Catullus with his people
if he finds three kisses of acquaintances.

Voor het woord ‘pretty’ heeft Catullus pulcher gebruikt, wat erop lijkt te wijzen dat Lesbius en Lesbia in feite Publius Clodius Pulcher en Clodia Pulchra zijn.

“Lesbia”, geschilderd door John Reinhard Weguelin, 1878. © Publiek domein

Een korreltje zout

Of de door Cicero en Catullus benoemde karaktertrekken en activiteiten van Clodia op waarheid berusten, is lastig te achterhalen. Beide bronnen moeten hoe dan ook met een korreltje zout worden genomen. Clodia werd in de ene bron gehanteerd als bliksemafleider voor Caelius. In de tweede bron gaat het om gedichten ontsproten aan het creatieve brein van Catullus wiens hart mogelijk gebroken werd door Clodia (er vanuit gaande dat met Lesbia, Clodia wordt bedoeld).

Hoe het Clodia vergaan is na de redevoering van Cicero is onduidelijk. Wel zien we haar nog opduiken in twee brieven van Cicero waarin hij aangeeft geïnteresseerd te zijn in een stuk land dat in haar bezit is. Dit land wilde hij kopen om een monument ter ere van zijn geliefde dochter Tullia – gestorven in 46 voor Christus – te bouwen. Cicero geeft zelf in zijn brieven aan dat de kans klein is dat hij het beoogde stukje land los kan peuteren daar Clodia er zelf zeer aan gehecht was (Cicero, Att., 12.38a; 12.42).

One Reply to “De ‘Palatijnse Medea’”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s