Tags

, , , , , , ,

“Je doet er goed aan, mijn zoon, te huilen als een vrouw om dat wat je als man niet kon verdedigen”. Dit waren de legendarische woorden die sultana Aïcha tegen haar zoon Boabdil, de laatste sultan van het koninkrijk Granada, sprak op 2 januari 1492. Op deze dag had hij zijn hemelse paradijs op aarde – het Alhambra – aan het katholieke koningspaar Isabella I van Castilië en Ferdinand II van Aragón overgegeven. Voordat het echter zo ver kwam, wisten de Nasriden het ruim 250 jaar vol te houden in het zuiden van het Iberische schiereiland waar zij nu het onderspit dolven tegen de nieuwe machthebbers: de Christenen.

Het Koninkrijk Granada

Het verhaal van Granada begint al in de tiende eeuw toen het onderdeel uitmaakte van het emiraat en later het kalifaat Córdoba. In 1013, bij het uiteenvallen van dit kalifaat, werd Granada een onafhankelijke taifa om vervolgens in 1091 veroverd te worden door de Almoraviden en in 1154 weer door de Almohaden. Ik ‘fast forward’ naar 1212, het jaar waarin de Slag bij Las Navas de Tolosa plaatsvond en het duidelijk werd dat de macht der Almohaden afbrokkelde. In 1228 was het definitief voorbij voor deze Berberse dynastie nadat er in twintig jaar tijd talloze veldtochten plaats hadden gevonden en de ene na de andere Moorse stad in handen van de Christenen terecht was gekomen.

De ontevreden Moren zochten en vonden hun heil in een nieuwe leider; Ibn Hud, een voormalige marionet van de Almohaden en gouverneur van Murcia. Rond 1228 was Ibn Hud in alles behalve naam de leider van wat er nog resteerde van Al-Andalus, maar de Moren zouden ook snel hun buik vol hebben van Ibn Hud nadat hij menig veldslag had verloren (de Slag bij Alanje in 1230, de Slag bij Jerez in 1231 tegen het Koninkrijk Castilië en tevens ook de Slag bij Merida tegen het Koninkrijk Leon).

Ibn Hud zag zich genoodzaakt om een vredesverdrag met Castilië te sluiten in 1233 en dit bood kansen voor een van Ibn Huds tegenstanders, Mohammed I ibn Nasr. Deze beruchte krijger in de strijd tegen de Christenen kwam in opstand tegen Ibn Hud en riep zichzelf uit tot sultan over de regio Jaén. Toen Ibn Hud in 1236 nogmaals een vredesverdrag tekende met Ferdinand III was zijn rol uitgespeeld en Granada verwelkomde Mohammed I Ibn Nasr in 1237 als nieuwe heerser van Al-Andalus.

Mohammed I ibn Nasr: de eerste in de lijn der Nasriden

Mohammed I ibn Nasr geldt als de stichter van het Koninkrijk Granada; het laatste onafhankelijke Moorse bolwerk dat zich ruim 250 jaar staande wist te houden in het overwegend katholieke Spanje. Tevens is hij de eerste in de lijn van de Berberse Nasriden-dynastie. Het is deze dynastie die het Alhambra deed rijzen en verder uitbouwde.

De trekpleister van Granada: het Alhambra

De eerste twee opvolgende jaren van zijn sultanaat breidde Mohammed I zijn gebied uit met Almería en Málaga, maar moest hij ook concessies doen en Arjona in 1244 aan Castilië afstaan. De macht van dit koninkrijk was niet meer te stuiten en in 1246 stond Mohammed I ook Jaén af aan Ferdinand III in ruil voor een twintig jaar durende vrede. Washington Irving wijdt een van zijn laatste hoofdstukken uit zijn Tales of the Alhambra aan Mohammed I en spreekt uitgebreid over deze ontmoeting tussen de Koning van Castilië en de Moorse koning van Granada (die hij Muhamed Abu Alahmar noemt).

Taking a sudden resolution therefore he repaired privately to the Christian camp, and made his unexpected appearance in the presence of the King Ferdinand. In me, said he, you behold Muhamed, king of Granada; I confide in your good faith and put myself under your protection. Take all I possess and receive me as your vassal. So saying, he knelt and kissed the king’s hand in token of submission”  (Tales of The Alhambra, hoofdstuk 13)

Een bewogen koning Ferdinand zou Mohammed I hebben omarmd en hem de status van vazal hebben gegeven. Mohammed I mocht al zijn eigendommen behouden en zijn koninkrijk zelf bestieren, in ruil voor een jaarlijkse schatting en de belofte dat hij Ferdinand te hulp zou schieten in tijden van nood. Dit moment diende zich aan in 1248 toen Mohammed I en zijn mannen genoodzaakt waren het tegen hun geloofsgenoten op te nemen tijdens de Slag om Sevilla.

Mohammed I ibn Nasr omhelst zijn Castiliaanse vijand, prent uit de Cantigas de Santa Maria

Toen Mohammed I na deze succesvolle belegering Granada binnenreed, werd hij door een uitbundige bevolking als overwinnaar en veroveraar (El Ghalib) binnengehaald. Hij antwoordde hierop met de woorden “Alleen Allah overwint”. Na de Slag om Sevilla begon Mohammed I aan de bouw van het Alhambra en zijn woorden – die het slogan van de Nasriden zouden worden – zijn overal in het Alhambra terug te vinden.

Decoratie in het Alhambra met rechts het motto van de Nasriden

Christenen, Meriniden en ghazis

In 1272 viel Mohammed I Ibn Nasr van zijn paard en stierf. Hierna zouden er nog 22 sultans op de troon van het koninkrijk Granada plaatsnemen. Terugkijkend naar de 255 jaar dat de Nasriden heersten, lijken deze sultans geen moment rust te hebben gehad en altijd in een oorlog verwikkeld te zijn geweest.

In het noorden en in het westen werd het koninkrijk Granada ingekapseld door christelijke koninkrijken die nu bijna het gehele Iberische schiereiland in handen hadden. Castilië en Aragón waren de machtigste spelers. Ten zuiden van Al-Andalus heersten de Meriniden sinds 1269 over Marokko vanuit hun nieuwe hoofdstad Fez. Zij beschouwden het als hun heilige taak om hun geloofsgenoten te hulp te schieten in hun strijd tegen de Christenen. Daarnaast waren ze er ook niet vies van om hun macht ook in Al-Andalus te doen gelden.

Tot slot waren er nog de ghazis, soldaten die tijdens het bewind van Mohammed II – de opvolger van Mohammed I ibn Nasr – werden gerekruteerd in Noord-Afrika om Granada bij te staan in de strijd tegen de Christenen. Deze Vrijwilligers van het Geloof zouden al snel het lokale leger overstijgen in aantallen en de leider van dit leger had een dikke vinger in de pap binnen de politiek van Granada.

De Nasriden probeerden koste wat kost hun onafhankelijkheid te behouden. Om dit te bewerkstelligen sloten ze de ene keer vredesverdragen met de Christenen (tot onvrede van de ghazis) en beloofden manschappen en belasting af te dragen. De andere keer verzocht men om hulp van de Meriniden, net hoe het uitkwam. Hetzelfde kan gezegd worden voor de Meriniden en de Christenen die ook continu van kant wisselden en het onderling met elkaar aan de stok kregen. Steden wisselden snel van hand en de belangrijkste troef was (de Straat van) Gibraltar van waaruit men handel dreef met de islamitische wereld.

De Straat van Gibraltar

Binnen de paleismuren

Naast externe conflicten, was het ook haat en nijd binnen de Nasriden-dynastie inzake de troonopvolging. Menige sultan stierf dan ook een onnatuurlijke dood, zoals Mohammed II. Zijn opvolger – Mohammed III, de derde sultan van Granada – was berucht om zijn wreedheid en zou zijn vader mogelijk naar de volgende wereld hebben geholpen door hem gif toe te dienen in 1302. Ismail I, de vijfde sultan van Granada, werd om het leven gebracht door zijn neef tijdens een publieke verschijning in 1325. Het geschil tussen de twee neven draaide om een slavin die beide heren schijnbaar allebei wilden claimen.

Mohammed V, de achtste sultan op de troon, was genoodzaakt (na vijf jaar te hebben geregeerd) zijn toevlucht te zoeken bij de Meriniden in Fez terwijl zijn koninkrijk bestierd werd door Ismail II en kort daarna door Mohammed VI. In 1362 zou Mohammed V terugkeren naar Al-Andalus nadat Peter I van Castilië Mohammed VI naar Sevilla had gelokt en hem daar een kopje kleiner had gemaakt. Het hoofd kreeg Mohammed V cadeau van deze Peter de Wrede.

Voor Peter I van Castilië liep het ook niet goed af: in dit Franse manuscript uit de viertiende eeuw is te zien hoe hijzelf ook werd onthoofd in 1369

Ondanks alle veldslagen, intriges en machtsverwikkelingen, zijn de Nasriden vooral bekend om hun prachtige fort-paleis: het Alhambra. Onder de Nasriden beleefde Al-Andalus een nieuwe bloeiperiode met Granada als economisch, cultureel en wetenschappelijk centrum waar vele moslims hun toevlucht zochten. Met name de viertiende eeuw geldt als een hoogtepunt, ten tijde van de heerschappij van Yusuf I (1318 – 1354) en zijn zoon en opvolger Mohammed V (1338 – 1391). Granada was, in de woorden van Washington Irving, “as a silver vase filled with emeralds and jacynths” tijdens dit gouden tijdperk. 

De laatste jaren van het koninkrijk Granada

De meest legendarische sultan van Granada is ook meteen de laatste van dit koninkrijk: Mohammed XII Abu Abdallah, beter bekend als Boabdil. Washington Irving besteedt wel twee hoofdstukken (12 en 13) aan deze sultan en betreurt zijn lot. Niet alleen verloor Boabdil zijn koninkrijk, er werden hem schijnbaar ook allerlei misdaden toegerekend. Irving zet dit recht en vertelt dat dit de daden van zijn wrede vader waren: Abu l-Hasan Ali (hierna: Muley Hacén, de Spaanse naam van deze sultan).

Portret van Mohammed XII Abu Abdallah, beter bekend Boabdil

Muley Hacén en zijn vrouwen

Muley Hacén zat tweemaal op de troon van Granada, van 1464 – 1482 en van 1483 – 1485. Zijn wreedheid uit zich volgens Irving onder andere in het feit dat hij de moord op de Abencerrages op zijn geweten zou hebben. Van deze prominente familie in Granada zou hij 36 voorname familieleden in het Paleis van de Leeuwen hebben laten opsluiten en onthoofden. De toedracht hiertoe had mogelijk te maken met de avances van een van de jongemannen richting een van de koninklijke dochters van Granada. Nadien stond de plek waar dit bloedbad plaatsvond bekend als de Hal van de Abencerrages en Irving meende dat het bloed op bepaalde plekken niet weg te schrobben was en dat er ’s nachts geluiden te horen waren in dit deel van het paleis.

De slachting van de Abencerrajes, geschilderd door Marià Fortuny (1870)

De metgezellin van Muley Hacén was de befaamde Aïcha al Horra (de Vereerde), een afgezant van de profeet Mohammed en mogelijk de dochter van een sultan (Mohammed IX 1396-1454). Muley Hacén ruilde haar in voor de Christelijke slavin Isabel de Solís (later omgedoopt tot Zorayda of Soraya wat ‘Ster’ betekent) met wie hij trouwde. Volgens Irving had deze favoriet Muley Hacén opgehitst tegen zijn andere vrouwen omwille van haar eigen twee zonen Juan en Fernanado voor wie ze grote ambities koesterde. Ook Aïcha en haar zoon Boabdil werden verbannen naar een ander deel van het paleis. Volgens Irving werden zij gevangen gehouden in de Torre de Comares. Uit angst voor het leven van haar zoon zou Aïcha hem in het holst van de nacht naar beneden hebben laten zakken via een touw van aaneengeknoopte sjaals en zou Boabdil gevlucht zijn naar Guadix. 

De Torre de Comares

De Reyes Católicas

In 1477 weigerde Muley Hacén nog langer belasting af te staan aan de Castiliaanse kroon en in 1481 maakte hij het nog bonter door een verrassingsaanval uit te voeren in het plaatsje Zahara de la Sierra. Er kwamen hierbij onbewapende Christenen om het leven en dit was koren op de molen van de Reyes Católicas (katholieke vorsten) Ferdinand II van Aragón (1452-1516) en koningin Isabella I van Castilië (1451-1504). In 1469 was het katholieke paar in het huwelijksbootje gestapt en hadden zich voorgenomen de herovering van het Iberische schiereiland voort te zetten. In 1479 sloten ze een bondgenootschap waardoor ze overmacht kregen op de Nasriden en in 1482 zetten zij de verovering van Granada in. Circa 5.000 ruiters en voetsoldaten trokken het koninkrijk binnen en veroverden – onder leiding van Rodrigo Ponce de Leon – de ene na de andere stad.

Het huwelijksportret van Ferdinand en Isabella uit 1469

Boabdil tijdelijk op de troon

In 1482 sloot Aïcha een pact met de Abencerrajes, werd Muley Hacén verjaagd en kwam Boabdil op de troon, maar ook hij onderschatte de Christenen. Om zichzelf te bewijzen viel hij Castilië binnen en boekte een klein succesje door de Christenen ten oosten van Málaga te verslaan. Hij werd echter door de Christenen gevangen genomen in Lucena. Aïcha leidde in 1483 de onderhandelingen om haar zoon los te krijgen. Muley Hacén werd echter weer op de troon van Granada geplaatst, maar moest deze in 1985 alweer afstaan aan zijn broer Mohammed XIII (ook bekend als Abdullah az-Zaghall, de Dappere).

In 1487 mocht Boabdil de troon terug claimen van zijn schatplichtige koninkrijk en moest hij beloven de Christenen niet in de weg te staan tijdens de belegering van Málaga in hetzelfde jaar. Het onderlinge conflict tussen Boabdil en zijn oom zou het koninkrijk Granada verder doen verzwakken en ook Baeza, Almería en Almuñécar zouden kort achter elkaar in katholieke handen vallen.

De laatste zucht van de Moor

Wat restte was Granada en in 1489 werd Boabdil door het katholieke koningspaar opgedragen de stad te overhandigen. Dit weigerde hij waarna er een maandenlang beleg plaatsvond. Op 2 januari 1492 moest de laatste sultan van Granada zwichten en verliet hij het Alhambra via de poort van de ‘Toren van de Zeven Verdiepingen’ (Torre de los Siete Suelos) in het gevolg van circa honderd ruiters. Boabdil verzocht Ferdinand en Isabella de poort te verzegelen en nooit meer te gebruiken. Tevens pleitte hij om godsdienstvrijheid voor zijn onderdanen waar het koningspaar slechts vier maanden gehoor aan gaf. Al snel werden de Joden en vervolgens de moslims verdreven uit Al-Andalus.

De Overgave van Granada, geschilderd door Francisco Pradilla Ortiz (1882)

Irving vertelt hoe hij de voetstappen van Boabdil traceerde richting de Hermitage van San Sebastián – waar hij de sleutels van Granada zou hebben overhandigd aan het katholieke koningspaar – en verder richting het dorp waar hij zijn familie vooruit had gestuurd. Zijn tocht leidde naar de voet van de bergachtige streek Las Alpujarras die Boabdil doorkruiste richting zijn ballingsoord. Op een van de pieken van dit bergketen, de ‘Berg van de Tranen’ (La Cuesta de las Lágrimas), zou Boabdil nog eenmaal hebben omgekeken naar zijn verloren stad. Op een andere rots zou Boabdil zijn laatste treurige uitroep hebben gedaan en deze plek wordt ‘De Laatste Zucht van de Moor’ genoemd (El último Suspiro del Moro). Zijn moeder Aïcha maakte zijn ellende compleet met haar bitse legendarische woorden.

Het afscheid van Boabdil aan Grenada, geschilderd door Alfred Dehodencq (1860)

Boabdil verbleef korte tijd op een Spaans landgoed in Las Alpujarras, maar vertrok in 1493 met zijn moeder naar de Marokkaanse Koningsstad Fez waar hij de bescherming genoot van de heersende dynastie der Wattasiden.

De volgende keer…

Een beschrijving van het hemelse paradijs op aarde dat Boabdil in 1492 afstond aan de Reyes Católicas.

Advertenties