Tags

, , , , , , ,

In 1829 verbleef de Amerikaanse schrijver Washington Irving enkele maanden in het Alhambra: een dertiende-eeuws fort-paleis van de Moorse heersers van het Koninkrijk Granada (de Nasriden). Naar aanleiding van dit bezoek schreef hij het boek ‘Tales of the Alhambra’ dat uit 32 korte hoofdstukken bestaat. Irving beschrijft onder andere zijn tocht van Sevilla naar Granada, de verschillende gebouwen en ruimtes van het complex met hun bijbehorende legenden en vertelt ook over de huidige en voormalige bewoners van het Alhambra. Tevens buigt hij zich over de geschiedenis van de Moorse overheersing over het Iberisch schiereiland.

Mohammed en de eerste kaliefen

De geschiedenis van het Alhambra laat Irving bij vlagen tussen neus en lippen door vallen in zijn boek en voor de goede orde wijdt hij ook één hoofdstuk aan de Moorse verovering van het Iberisch schiereiland (Reflections of the Moslem Domination in Spain). Dit hoofdstuk bestaat uit welgeteld vier pagina’s van A5-formaat en Irving vertelt nagenoeg niks. Derhalve, in deel twee van deze reeks over het Alhambra, ga ik graag wat dieper op deze geschiedenis in en zal het u aan het einde van de rit mogelijk duizelen van de jaartallen en namen. Dit stuk is echter essentieel om het laatste hoofdstuk van de Moorse overheersing te begrijpen: de tijd van de Nasriden die vanuit het Alhambra hun Koninkrijk Granada bestierden.

Mijn verhaal begint in 632, het sterfjaar van de profeet Mohammed. Tijdens zijn leven had Mohammed een groot gedeelte van de stammen op het Arabisch schiereiland weten te verenigen en na zijn dood zouden zijn opvolgers, de kaliefen, dit beleid voortzetten. In circa vijfentwintig jaar tijd wisten drie kaliefen het Islamitische (of Arabische) rijk verder uit te breiden naar het gehele Arabische Schiereiland, delen van het Byzantijnse Rijk, Iran, Jeruzalem, Egypte, Syrië, Cyprus en – voor dit verhaal van cruciaal belang – delen van Noord-Afrika.

kaart Islamitische Rijk

De expansie van het Islamitische rijk: Rood = Veroveringen van Mohammed (622-632) Oranje = Veroveringen gedurende het patriarchaal kalifaat (632-661) Geel = Veroveringen van de Omajjaden (661-750)

De Omajjaden

Nadat de derde kalief, Oethman ibn Affan, in 656 stierf, werd Ali ibn Abi Talib. (de neef en schoonzoon van de profeet die al driemaal eerder gepasseerd was in de benoemingsronden) verkozen tot nieuwe leider van de gelovigen. De onvrede was echter groot daar er geruchten gingen dat Ali medeplichtig was aan de moord op Oethman, daar hij de verantwoordelijke daders niet vervolgde. De machtige generaal Mu’awiyah (een neef van Oethman) en een van de favoriete vrouwen van Mohammed (Aïsja) lieten het er niet bij zitten. In 656 stond Ali tegenover Aïsja en haar troepen tijdens de Slag van de Kameel in de buurt van Basra (Irak) en kwam hij als winnaar uit de bus. In 657 werd Ali door Mu’awiyah uitgedaagd tijdens de Slag bij Siffin, maar deze strijd bleef onbeslist.

Mu’awiyah behield zijn ambt als gouverneur van Syrië wat slecht viel bij bepaalde aanhangers van Ali. Zij splitsten zich dan ook af en werden kharidjieten genoemd. Ali werd uiteindelijk in 661 vermoord door een van deze kharidjieten, volgens een van de overleveringen in de stad Koefa (Irak) terwijl hij aan het bidden was. De strijd tussen de aanhangers van Ali en Mu’awiyah wordt beschouwd als het moment van ontstaan van de twee grote ideologische stromingen binnen de Islam: het sjiisme (de volgelingen van Ali) versus het soennisme (de volgelingen van Mu’awiyah).

De Imam Ali moskee in Al Najaf (Irak), een heilige plek waar volgens de sjiieten Ali ibn Abi Talib begraven ligt

De verovering van het Iberisch schiereiland

Mu’awiyah werd na de dood van Ali de eerste kalief van de Omajjadische dynastie en verplaatste de hoofdstad van het Islamitische rijk naar Damascus. Mekka en Medina bleven echter wel van religieus belang. Onder de Omajjaden groeide het Islamitische Rijk verder en rond het einde van de zevende eeuw was het Iberisch schiereiland aan de beurt. Hier maakten de Visigoten de dienst uit sinds 418 nadat zij de Pyreneeën waren overgestoken en, onder andere, de Vandalen hadden verdreven.

In 711 kregen de Moren (zoals de moslims van Noord-Afrika werden genoemd) een vrijbrief om het Iberisch schiereiland te veroveren. Graaf Julian van Ceuta bracht verslag uit aan Musa bin Nusair (de gouverneur van de islamitische provincies van Noord-Afrika) over de wandaden van de Visigotische koning Roderik. De Moren werden als het ware uitgenodigd de oversteek naar Spanje te maken om het conflict te beslechten.

Een gretige Musa bin Nusair gaf gehoor aan deze noodkreet en stuurde Tariq Ibn Zyad naar het Iberisch Schiereiland. Deze jonge generaal stak met een leger van 7.000 man (bestaande uit Arabieren en een grote meerderheid aan Berbers) de Straat van Gibraltar over. De Visigotische koning Roderik werd in hetzelfde jaar nog gedood tijdens de Slag bij Guadalete, maar de Moren waren niet van plan om terug te keren naar Afrika. Rond 718 was bijna het gehele Iberische schiereiland in Moorse handen dat men tot al-Andalus doopte (een verbastering van al-Vandalus: het gebied van de Vandalen).

De Berberse leider Tarik ibn Ziyad – prent gemaakt door Theodor Hosemann

Verzet tegen de Omajjaden

In de tussentijd rommelde het binnen het Islamitische rijk. Geïnspireerd door het kharidjisme (waarvan de aanhangers zich onder andere verzetten tegen corrupt leiderschap) kwamen er meerdere groeperingen in opstand tegen de heersende Omajjaden, waaronder de Berbers in Spanje en Marokko.

Deze oorspronkelijke inwoners van Noord-Afrika (ten westen van Egypte) – die nog niet zo gek lang geleden waren onderworpen door de Arabieren en tot de islam waren bekeerd – begonnen zich te verzetten tegen het discriminerende beleid van de Omajjaden. Ze verzetten zich onder andere tegen de verhoogde belastingen om een lege staatskas te compenseren die door militaire nederlagen en wanbestuur was uitgeput.

In Spanje werd de tweederangs status van de Berbers duidelijk bij de herverdeling van de landerijen van gevluchte Christenen: de Berbers kregen de minst vruchtbare stukken toebedeeld terwijl de Arabieren de betere stukken voor zichzelf claimden. Het verzet van de Berbers staat te boeken als de ‘Grote Berberopstand’ die van 739-743 woedde. Het spanningsveld tussen de Berbers en de Arabieren loopt als een rode draad door de geschiedenis van de Moren op het Iberisch schiereiland.

Het emiraat Córdoba

Ook in Khorasan (een regio in Centraal-Azië) was het onrustig en kwamen de Abbasiden in 747 in opstand tegen de Omajjaden. Als afstammelingen van Abbas ibn Abd al-Muttalib (een oom van de profeet Mohammed) claimden zij te mogen regeren over het kalifaat. In 750 versloegen zij (samen met de Perzen en sjiieten) de Omajjaden tijdens de Slag bij de Zab en stichtten een nieuwe hoofdstad: Koefa. Om er voor te zorgen dat de Omajjaden niet terug zouden keren, liet de eerste kalief van de Abbasiden, Abu-Abbas al-Saffah, alle leden van deze dynastie doden. De Omajjadische prins Abd al-Rahman I en enkele van zijn familieleden wisten echter te ontsnappen en vluchtten naar Marokko.

Abd al-Rahman I, de eerste emir van Córdoba

Van hieruit maakte Abd al-Rahman I in 755 de oversteek naar Spanje waar hij werd ontvangen door tegenstanders van de gouverneur van Córdoba (Yusuf al-Fihri). Abd al-Rahman I wist snel genoeg mankracht op de been te krijgen en versloeg Yusuf op 15 mei 756 tijdens de Slag bij al-Musara. Met deze zege (en dankzij zijn Arabisch-Berberse afkomst) werd de macht van Abd al-Rahman I door de andere steden erkend.

Om de rust te bewaren riep Abd al-Rahman I zichzelf uit tot emir (aanvoerder/prins) van het emiraat (provincie) Córdoba met de gelijknamige stad als hoofdstad. Hij distantieerde zich hiermee van Baghdad, maar bleef wel haar religieus gezag erkennen. In 929 maakte emir Abd al-Rahman III ook hier een einde aan. Hij riep zichzelf uit tot kalief over het kalifaat Córdoba en verbrak zo de banden met het Islamitische Rijk.

Christelijke bovenburen

Tijdens de opmars van de Moren tussen 711 en 720 werden de Christenen alsmaar verder naar het noorden gedreven. In het noordwesten ontstond het Koninkrijk Asturië onder Don Pelayo (mogelijk een lijfwacht van Koning Roderik die de Slag bij Guadalete had overleefd). In 722 leverde hij succesvol strijd tegen de Moren tijdens de Slag bij Covadonga en Don Pelayo wordt traditiegetrouw als de eerste koning van Spanje beschouwd die het startsein gaf voor de herovering van het Iberisch schiereiland (de Reconquista).

Ook in Frankrijk verliep de strijd niet vlekkeloos voor de Moren. Tijdens hun veroveringstocht waren zij doorgestoten tot aan Bordeaux, maar werden in 732 een halt toegeroepen door de Frankische staatsman en militair leider Karel Martel tijdens de Slag bij Poitiers (ook wel Slag bij Tours genoemd). In de navolgende jaren wist hij de Moren steeds verder te verdrijven uit hun bolwerken in onder andere Arles, Avignon en Nîmes. Rond 740 zouden de Moren een nieuwe poging ondernemen het Frankenland te infiltreren, maar met de Grote Berberopstand die in 739 vlam had gevat in Marokko, zagen ze zich genoodzaakt zich terug te trekken uit het Douro dal in het noordwesten van Spanje.

In 759 werden de Moren door Pepijn de Korte, de eerste koning der Franken, ook uit Narbonne verdreven. Zijn zoon Karel de Grote stelde de zuidelijke grenzen van het Frankische Rijk veilig via het sub-koninkrijk Aquitanië. Aan de andere kant van de Pyreneeën creëerde hij een bufferzone tussen zijn rijk en al-Andalus door verschillende graafschappen te veroveren, waaronder Pamplona en Barcelona. Deze bufferzone staat bekend als de Spaanse Mark (Marca Hispánica).

De Spaanse Mark, kaart van Auguste Longnon (1876)

Machtsstrijd in het noorden

Na de dood van Karel de Grote wisten de graafschappen die deel uitmaakten van de Spaanse Mark het Frankische juk van zich af te schudden. In de tussentijd groeide het koninkrijk Asturië alsmaar verder in zuidelijke richting en er ontstonden ook nieuwe christelijke kernen, zoals León, Galicië, Castilië, Navarra en Aragón.

De negende, tiende en eerste helft van de elfde eeuw staan in het teken van de strijd die deze vorstendommen met elkaar en de Moren aanbonden om hun machtspositie verder te verstevigen en hun grenzen te verleggen. Tijdens deze schermutselingen, schroomden zowel de Christenen als Moren er niet voor om onderlinge verdragen af te sluiten en aan deze of gene zijde te vechten. Zo verleende de Spaanse ridder Rodrigo Dí­az de Vivar, bijgenaamd El Cid, zijn diensten aan beide partijen en schopte het zelfs tot koning van Valencia in 1094.

Portret van Rodrigo Díaz de Vivar of El Cid (1791)

Begin elfde eeuw vond er een belangrijke ontwikkeling plaats ten aanzien van de Reconquista: het kalifaat van Córdoba was in 1031 dood gebloed naar aanleiding van verschillende burgeroorlogen die over meerdere decennia woedden. Er ontstonden verschillende taifas (moslim koninkrijkjes) met emirs van verschillende rassen (Arabieren en Berbers) die elkaar bestreden. Door deze verzwakte positie vormden de taifas een makkelijk doelwit voor de Christelijke koningen en de rollen waren nu omgedraaid: voorheen droegen de Christelijke koninkrijken van het noorden tribuut af aan het kalifaat, maar nu moesten de taifas afkoopsommen aan de Christenen afdragen om het hoofd boven water te houden.

Daarnaast veranderde ook de toon van de strijd met 1064 als startpunt. Kruisvaarders die een slachtpartij in de Moorse stad Barbastro (Aragón) hadden aangericht kregen van Paus Alexander II absolutie voor hun begane zonden. Ging het hiervoor om het uitbreiden van grondgebied en machtspositie, nu kreeg de strijd een godsdienstig karakter waarbij de Christenen ernaar streefden de islamitische Moren uit Spanje en Portugal te verdrijven.

Portret van paus Alexander II

De Almoraviden

Het eerste belangrijke Moorse bolwerk dat zou vallen was Toledo in 1085 met als veroveraar het leger van Alfons VI van León en Castilië. De maat was toen vol en Sevilla en Granada riepen de hulp in van Yusuf ibn Tashfin, de leider van de Almoraviden. Deze Berberse dynastie maakte vanaf 1075 de dienst uit in Marokko en bestierde het rijk vanuit een nieuwe hoofdstad: Marrakesh (gesticht in 1062).

Alfons werd verslagen tijdens de Slag bij Zallaqa in 1086 en de Almoraviden keerden terug naar Marokko. In 1088 staken ze opnieuw de Straat van Gibraltar over en vielen de Christenen aan, alleen ditmaal hadden de taifas niet om hun hulp verzocht uit angst dat de Almoraviden zouden blijven. Deze angst was gegrond: in rap tempo werden er verschillende taifas aan hun macht onderworpen en vanaf 1102 stond al-Andalus onder het gezag van de Almoraviden.

De Almoraviden verrijkten Marrakesh met diverse gebouwen, waaronder Koranscholen (de madrasa). De ‘Ben Youssef Madrasa’ van Marrakesh (hier gefotografeerd vanaf het binnenplein) dateert uit de zestiende eeuw, maar is vernoemd naar de Almoravidische sultan Ali ibn Yusuf.

In 1106 stierf Yusuf ibn Tashfin, op het hoogtepunt van de Almoravidische macht. Hij liet een verenigd al-Andalus over aan zijn zoon Ali ibn Yusuf. Zelf resideerde Ali in Marrakesh en het besturen van al-Andalus liet hij over aan zijn gouverneur Tamin ibn Yusuf. Laatstgenoemde wist het Koninkrijk Castilië in 1108 te verslaan tijdens de Slag bij Uclés, maar hierna ging het snel bergafwaarts.

De Almoraviden wisten Zaragoza nog aan hun territorium toe te voegen in 1110, maar verloren dit weer aan Koning Alfons I van Aragón in 1118. Vanaf 1138 kreeg Ali het aan de stok met Alfons VII van León die een serie veldtochten in al-Andalus ondernam en in 1139 verloren de Almoraviden de Slag bij Ourique met de Portugese Koning Afonso I als tegenstander.

Met het verbrokkelen van de Almoravidische macht, zagen de emirs van de verschillende Moorse bolwerken hun kans schoon om hun onafhankelijkheid af te dwingen en ontstond er een tweede periode van taifas. In 1139 begon het ook op het thuisfront te rommelen: een zekere Abd al-Mu’min (de eerste kalief van de dynastie der Almohaden) ging op oorlogspad tegen de Almoraviden.

De Almohaden

De macht van de Almoraviden brokkelde steeds verder af en in 1145 moest Tashfin ibn Ali, de opvolger van Ali ibn Yusuf, terugkeren naar Afrika om een ‘new kid on the block’ de kop in te drukken: de Berberse dynastie der Almohaden. De strijd vond plaats in de buurt van de kustplaats Oran (Noordwest-Algerije) waar Tashif lange tijd belegerd werd. Toen hij ’s nachts trachtte te ontsnappen via de haven, viel hij van een rots en stierf.

In 1146 veroverden de Almohaden Fez en in 1147 de hoofdstad Marrakesh. In hetzelfde jaar was het Moorse bolwerk Lissabon door de Christenen veroverd en riepen de emirs van de taifas de hulp in van de Almohaden. Abd al-Mu’min stak met zijn leger de Straat van Gibraltar over en veroverde in tien jaar tijd Sevilla, Córdoba, Jaén, Málaga, Granada en Almería. Zijn zoon en opvolger, Abu Yaqub Yusuf, klaarde de klus en rond 1173 waren de Almoraviden uit hun Moorse bolwerken verdreven en deelden de Almohaden de lakens uit.

In 1195 deelden de Almohaden, onder leiding van Ya’qub al-Mansur Billah (de ‘Overwinnaar door Allah’), een laatste klap uit aan het adres van het Castiliaanse leger van Alfons VIII tijdens de Slag bij Alarcos. Rond 1203, onder Yusuf II al-Mustansir, trokken de Almohaden zich terug naar Marrakesh en lieten het bestuur van al-Andalus over aan een oligarchie van oudere familieleden, edelen en bureaucraten aan het hof.

Ferdinand III ‘el Santo’ van Castilië

Met de terugtocht van de Almohaden naar Marokko, ontbrak er een centraal gezag in al-Andalus en stond de deur wagenwijd open voor de Christelijke koninkrijken. Voor hen was de Slag bij Alarcos in 1195 een keerpunt en verschillende koningen sloegen de handen ineen om zich van de Moren te ontdoen. In 1212 stonden de Almohaden, onder leiding van de zoon van al-Mansur (Mohammed III al-Nasir) tegenover de Christenen in Jaén tijdens de Slag bij Las Navas de Tolosa. Alhoewel de Moren in de meerderheid waren (150.000 man versus 50.000 Christenen) verloren de Moren met 100.000 doden en gevangenen.

Het einde der tijden brak voor de Almohaden aan in 1224 toen Yusuf II stierf en er een coup plaatsvond met betrekking tot zijn opvolging. Yusuf had zelf geen zonen en dus werd zijn oudere oom Abd al-Wahid I al-Makhlu aangewezen als nieuwe kalief in Marrakesh. Dit viel echter niet in goede aarde in al-Andalus waar andere ooms van Yusuf de boel bestierden, waaronder Abdallah al-Adil. Al gauw nam hij de controle over in al-Andalus met behulp van zijn broers en liet Abd al-Wahid I in Marrakesh uit de weg ruimen wat een verdere serie aan onrusten ontketende op het Iberisch schiereiland.

Ferdinand III ‘el Santo’, koning van Castilië, geschilderd door Bartolomé Esteban Murillo (1672)

Binnen de dynastie der Almohaden was er wel vaker sprake geweest van onenigheid, maar ook van loyaliteit richting nieuwe opvolgers. De coup was dus een bloedige breuk met deze traditie en het zou de Almohaden duur komen te staan: door alle interne onrust rukten de Christelijke koningen alsmaar verder op naar het Moorse territorium. De koningen van Castilië, Aragón, León en Portugal lanceerden een serie aanvallen waarbij ze vrijwel zonder weerstand steeds verder zuidwaarts oprukten.

Vanaf 1228 was het einde in zicht voor de Almohaden en vonden er in twintig jaar tijd talloze veldtochten plaats. De ene na de andere Moorse stad werd door de Christenen veroverd waaronder Córdoba (1236) en Sevilla (1248). Het leeuwendeel kwam in handen van Koning Ferdinand III ‘el Santo’ van Castilië.

De volgende keer

In 1264 restte er nog één Moors bolwerk: het Koninkrijk Granada dat door de Nasriden tot 1492 bestierd zou worden vanuit het Alhambra. Hierover meer de volgende keer.

Advertenties