Tags

, , , , , , ,

Vlakbij het plaatsje Horn-Bad Meinberg, in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen, heeft Moeder Natuur flink haar best gedaan. Circa 70 miljoen jaar geleden werden tussen de beboste heuvels van het Teutoburgerwoud de Externsteine gevormd. Deze imposante zandstenen formatie is een uniek natuurverschijnsel dat duizenden jaren lang de mens heeft aangetrokken en gefascineerd. Het bewijs hiervoor wordt door de stenen van deze ‘Germaanse Stonehenge’ zelf prijsgegeven.

De ‘tor’ van het Teutoburgerwoud

Wie een bezoek heeft gebracht aan het Hermannsdenkmal in Detmold, en nog tijd over heeft, moet zeker nog 12 kilometer doorrijden naar het plaatsje Horn-Bad Meinberg. Hier vlakbij, op een beboste helling in het Teutoburgerwoud, is namelijk een bijzonder fenomeen te aanschouwen: de Externsteine.

Deze rotsformatie strekt zich honderden meters uit, beginnend als overdekte stenen in het bos en rijzend naar hoogten tussen de 20-38 meter. De in totaal dertien tellende lange zandstenen ‘zuilen’ vormen een geologische formatie die ook wel een ‘tor’ wordt genoemd: een heuvel met een top die bestaat uit losstaand gesteente. De Externsteine werden zo’n 70 miljoen jaar geleden gevormd en zijn een uniek natuurverschijnsel in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen.

img_2966

De Externsteine die vanuit het bos opdoemen

De dertien stenen van deze rotsformatie zijn omwille van wetenschappelijke doeleinden genummerd (I – XIII) en de telling begint bij de meest noordwestelijke rots die met zijn voeten in de kunstmatige vijver de ‘Wiembecke’ staat (voorheen een stromende beek). De rotsen kunnen voor een zacht prijsje via twee stenen trappen beklommen worden en de hoogtepunten zijn zeker een kijkje waard.

De Grottenfels

Rots I is de grootste steen van alle dertien en wordt ook wel de Grottenfels genoemd naar de door de mens gemaakte grot. Deze bestaat uit drie kamers die met elkaar verbonden zijn via passages. Boven de ingang van de hoofdkamer (de Hauptgrotte) is een beeldhouwwerk in bas-reliëf te zien van een gevleugeld figuur. In de grot zelf is er een inscriptie aangetroffen die dateert uit 1115. De inscriptie duidt op de inwijding van een altaar hier door een zekere Henrico. Vermoedelijk wordt Heinrich II von Werl bedoeld die tussen 1084 – 1127 bisschop van Paderborn was.

img_2977

Rots I aan de Wiembecke

Een andere kamer, de Kuppelgrotte, dankt zijn naam aan het koepelachtige plafond. Deze smalle ruimte is te betreden via de Hauptgrotte, maar ook middels een externe ingang. Bij deze ingang is er een verweerd reliëf in een nis te zien van een staand figuur die een sjerp draagt in de linkerhand en een sleutel in de rechterhand. Over het algemeen wordt deze figuur geïnterpreteerd als de apostel Petrus en staat de sleutel symbool voor de belofte van Jezus om Petrus de sleutel tot het koninkrijk van de hemel te geven (Mattheüs 16:19).

Tot slot is er de zijkamer (de Nebengrotte) van rots I met een venster dat uitkijkt op de Wiembecke en de Sargstein (grafsteen). Dit nisgraf met boogrand (een Arcosolium genoemd) bevat een open zandstenen sarcofaag, waarover straks meer.

externsteine-grundris_der_grotten-_zeichnung_marianne-klement-speckner_2001

Plattegrond van de grot in rots I – © Marianne Klement-Speckner

Het Kruisafnamereliëf

Op de oostelijke buitenwand van rots I is er een reliëf te zien met twee voorstellingen die door een horizontale rand van elkaar worden gescheiden. Het onderste gedeelte (waarschijnlijk het oudste deel van het reliëf) bevat een bebaarde draak die Adam en Eva omhelst. Het bovenste stuk van het reliëf is gladder en heeft hierdoor meer duidelijke contouren. Hier is Jezus te zien die van het kruis wordt gehaald door Nikodemus en Jozef van Arimathea (leden van de Sanhedrin). Zij worden bijgestaan door een rouwende Maria en Johannes de Evangelist. In de hemel is God te zien die de verlossing van Jezus zegent.

De datering van dit reliëf heeft tot veel discussie geleid onder kunsthistorici, maar er wordt over het algemeen aangenomen dat het omstreeks de twaalfde eeuw werd gecreëerd. Hiermee is dit reliëf de oudste voorstelling die in een natuurlijke rotswand ten noorden van de Alpen is gekerfd.

img_2980

Het bovenste gedeelte van het Kruisafnamereliëf

Kopie van de Heilige Grafkerk

De aanwezigheid van het Arcosolium en het Kruisafnamereliëf heeft geleid tot de theorie dat de Externsteine in de middeleeuwen de functie van een ‘alternatieve’ Heilige Grafkerk hadden. In deze tijd was het namelijk gebruikelijk om pelgrimstochten te maken naar heilige plekken, waaronder de Heilige Grafkerk (of Verrijzeniskerk) in Jeruzalem waar Jezus gekruisigd en begraven zou zijn. Niet alle pelgrims konden het zich echter veroorloven om deze lange reis te maken. Er verschenen daarom talloze kopieën van de Heilige Grafkerk en het Heilige Graf van Jezus. Laatstgenoemde had min of meer overal dezelfde vorm: een sarcofaag met een beeld van het lichaam van Jezus Christus evenals een beeldengroep van mannen, vrouwen en engelen die bij de graflegging aanwezig zijn. Beiden zijn bij de Externsteine te vinden in de vorm van de Sargstein en het Kruisafnamereliëf.

img_7269

Heilige Grafkerk in Jeruzalem

Daarnaast menen sommige historici twee andere heiligdommen te herkennen in de Externsteine. Allereerst zijn er de stenen zelf: deze worden vereenzelvigd met Golgotha. Volgens de traditionele gedachte was Golgotha een heuvel die buiten de (toenmalige) muren van Jeruzalem lag en werd Jezus hier gekruisigd. De Heilige Grafkerk van Jeruzalem wordt verondersteld op deze plek te staan.

Tot slot is er de door de mens gemaakte grot in rots I. Deze associeert men met de grot waar het kruis van Jezus in de derde eeuw na Christus werd gevonden door Helena, de moeder van Keizer Constantijn de Grote. Volgens overleveringen werd het kruis hierna overgebracht naar de Heilige Grafkerk in Jeruzalem. 

De Turmfels

De 37,5 meter hoge rots II wordt ook wel de Turmfels genoemd, omdat de rots op een vierkante toren lijkt. Rots II staat bekend om de zogeheten Hohenkammer (hoge kamer) die zich in de top van de rots bevindt. Deze kamer kan bereikt worden via een trap in rots III en vervolgens via een houten brug met ijzeren traliewerk die begin negentiende eeuw werd toegevoegd.

img_2969

Rots II en III met de stenen trap en houten brug

In de Hohenkammer zijn sporen van houten pennen gevonden die waarschijnlijk houten wanden en/of een houten plafond hebben ondersteund. In de westhoek is er een nis met zuilen uitgehouwen in de rotsen en in de noordhoek zijn er pilasters en boogramen. De noordwestelijke hoek wordt gemarkeerd door een beeldhouwwerk dat een bebaarde man voorstelt.

‘Last but not least’ is er nog het sacellum: een kapelletje met daarin een stenen altaar op een slanke sokkel en daarboven een rond raam. Dit venster heeft tot veel discussie geleid, waarover straks meer.

De Treppenfels en Wackelsteinfels

Rots III wordt de Treppenfels (traprots) genoemd en is middels een grote kloof gescheiden van rots IV. Laatstgenoemde staat bekend als de Wackelsteinfels (losse steen rots) vanwege de losse kei op de top. Deze werd begin negentiende eeuw verankerd met ijzeren haken. Tevens werd de weg tussen rots III en IV uitgebreid en verhard. Zo werden de Externsteine klaargestoomd om hordes toeristen te ontvangen.

img_2984

Van links naar rechts rots I tot en met IV (achterzijde)

Rots IV bevat een reliëf met het wapen van de Graven van Lippe dat mogelijk uit de zeventiende eeuw dateert toen Herman Adolph, de toenmalige Graaf van Lippe, een jachtslot liet bouwen aan de oostzijde van de rotsformatie. Het fort – dat snel in verval raakte en in 1810 gesloopt werd op bevel van Prinses Pauline van Lippe – bestond uit een centraal poortgebouw met twee gedrongen ronde torens aan weerszijden.

De ‘Germaanse Stonehenge’

In de negentiende eeuw kregen de Externsteine enorm veel belangstelling als gevolg van het Duitse nationalisme en rond 1860-1870 verschenen er talloze publicaties over de rotsen. De belangstelling voor de Externsteine bereikte een hoogtepunt ten tijde van het Derde Rijk. De ‘Stichting Externsteine’ werd in het leven geroepen – met Heinrich Himmler als voorzitter – en de rotsformatie werd ijverig bestudeerd door het onderzoeksinstituut Ahnenerbe. Aan hen was de taak gegeven om met wetenschappelijke bewijzen op de proppen te komen voor de origine en superioriteit van het ‘Arische’ ras.

Van 1934/35 werden er opgravingen verricht door Wilhelm Teudt (1860-1942) in wie de nationaalsocialisten een geestverwant vonden. Teudt geloofde namelijk in een oude, hoogontwikkelde Germaanse beschaving en was op z’n zachtst gezegd geobsedeerd met de Externsteine. Ruim 40 publicaties staan op zijn naam over deze rotsformatie die hij vanaf de jaren ’20 betitelde als de ‘Germaanse Stonehenge’.

stonehenge-1480288_1280

Stonehenge, Salisbury Plain

De Irminsul

Teudt was er van overtuigd dat de Externsteine al in prehistorische tijden een plek waren geweest voor een zonnecultus. Tevens had deze plek in zijn optiek als een oud zonneobservatorium en centraal heiligdom van de Saksen gefungeerd. In dit heiligdom stond een cultusbeeld in de vorm van een boomstam: de Irminsul of ‘al-zuil’ (columna univeralis) die volgens de Saksen de wereld ondersteunde.

Het idee van een Saksisch heiligdom was niet aan Teudts eigen geest ontsproten, maar werd al in 1564 door de Lutherse theoloog en hervormer Hermann Hamelmann geopperd in zijn Delineatio Oppidorum Westfaliae. Hij zegt het volgende over de Externsteine:

“Horn staat bekend om de ‘rots van de eksters’, een oud monument dat door oudere schrijvers wordt genoemd. Ik heb gelezen dat Karel [de Grote] deze ‘rots van de eksters’, toen een heidens cultusbeeld, als een gewijd altaar in heeft gezegend, versierd met beelden van de apostelen” (Wilhelm Teudt, Germanische Heiligtümer, 1929, p.71)

zerstorung_der_irminsaule_durch_karl_den_grosen_by_heinrich_leutemann

De vernietiging van de Irminsul door Karel de Grote – prent gemaakt door Heinrich Leutemann, 1882

Tijdens de opgravingen van 1934/35 werd Julius Andree (een professor van de Universiteit van Halle, gespecialiseerd in de Prehistorie) door Teudt als hoofd van de werkzaamheden van de Reicharbeitsdienst aangesteld. Andree vond een grote platte steen die hij als offersteen interpreteerde. Tevens stuitte hij op scherven die hij als ‘Germaans’ betitelde, echter er bestond toen al enige scepsis over deze interpretatie. Deze sceptici hielden echter wijselijk hun mond en de Externsteine werden opnieuw ingericht als een oud ‘heiligdom’ waar de zonnewendefeesten werden gevierd.

Nomadische jagers en kluizenaars

De vondsten die gedaan waren in 1934/35 werden in de jaren ‘90 aan een kritisch onderzoek blootgesteld en er bleek geen ondersteunend bewijs te zijn voor een oer-Germaanse cultusplaats noch een Saksisch heiligdom. Bij rots VIII waren er microlieten gevonden – stenen werktuigen gemaakt van vuursteen – die typerend zijn voor de Ahrensburg-cultuur (circa 11.200 – circa 9.500 voor Christus). Ook zijn er aanwijzingen gevonden voor vuurplaatsen en de rotsen lijken op z’n vroegst onderdak te hebben geboden aan nomadische jagers in het Laat-Paleolithicum – Mesolithicum. 

ahrensburg_punt

Pijlpunt, Ahrensburg-cultuur

De eerstvolgende sporen van menselijke bewoning duiden op kerkelijke activiteit van de tiende tot en met de vijftiende eeuw en de stenen hebben onder andere onderdak geboden aan een kluizenaarsgemeenschap. Toen ook criminelen hun intrek namen in de rotsen werd deze gemeenschap ontbonden, trok de kerk zich terug en werd eerdergenoemd fort gebouwd.

Er is dus geen bewijs gevonden voor menselijke activiteit in de tussenliggende periode van het Neolithicum tot de Karolingische periode (negende eeuw). Desalniettemin worden de Externsteine nog altijd beschouwd als een heilige heidense plek en vormen ze een verzamelplaats voor moderne heksen, druïden en Keltische en Germaanse gemeenschappen die hier de zonnewendefeesten en Walpurgisnacht komen vieren.

Voor deze neo-paganistische groepen ligt het bewijs in het sacellum van rots II: de ronde opening boven het altaar is namelijk gericht op de zonsopgang op het moment van de zonnewende. Tevens is men van mening dat er esoterische krachten toegekend kunnen worden aan de geologische formatie van de Externsteine zelf, de ‘tor’, zoals bijvoorbeeld ook het geval is bij Stonehenge.

Advertenties