De volgende koningin in de reeks ‘Grote Koninginnen van het Oude en Midden Rijk is Nitokris. Deze koningin zou zeer kort over Egypte hebben geregeerd in een periode van sterk verval na vele culturele hoogtepunten. De vraag is echter of ze wel bestaan heeft. Alvorens haar verhaal te doen, zal de tijd waarin zij leefde eerst onder de loep worden genomen.

Het Oude Rijk: periode van culturele bloei

Gedurende het Oude Rijk van Egypte (van de vierde tot en met achtste dynastie, ± 2613  – 2160 voor Christus) stevende Egypte af op ongekende hoogtepunten op het gebied van architectuur, kunst, technologie en schrift. Deze ontwikkelingen had men te danken aan de stabiliteit van het land, een efficiënt bestuurssysteem en het feit dat de Egyptenaren zelfvoorzienend waren.

De stabiliteit van het land had onder andere te maken met de geïsoleerde ligging van Egypte en de natuurlijke barrières waardoor het wel onneembaar leek. In het noorden lag de Nijldelta met haar vele vertakkingen. In het zuiden bevond zich de eerste cataract, gelegen bij het eiland Philae; een obstakel in de vorm van een moeilijk bevaarbare stroomversnelling (Egypte had er in totaal zes). En dan was er nog de oneindige woestijn zowel ten oosten als ten westen van de Nijl. De ‘Achilleshiel’ van Egypte lag in het noordoosten, maar voorlopig was er geen sprake van een vijandelijke dreiging vanuit deze hoek.

De zelfvoorzienigheid van Egypte had te maken met de (voorlopig) niet aflatende overstromingen van de Nijl die voor landbouwoverschotten zorgden met alle positieve gevolgen van dien. Producten die Egypte zelf niet voortbracht, werden via handel en expedities verkregen zoals het rode graniet van Aswan (Nubië), turkoois van het Sinaï schiereiland en cederhout uit Libanon.

De farao: politiek en religieus leider

In het Oude Rijk steeg de status van de koning naar ongekende hoogten. Dat wat het land produceerde kwam middels het heffen van belasting in handen van de farao terecht die in feite eigenaar van Egypte was. De overschotten verdeelde hij vervolgens zoals hij goed achtte.

Om alles in goede banen te leiden in een samenleving die alsmaar ingewikkelder werd, was er een centraal bestuur en werd de farao bijgestaan door professionele ambtenaren, waaronder de vizier die de hoogste functie aan het hof bekleedde. De vizier had een breed takenpakket en antwoordde alleen aan de koning.

Egypte zelf was in provincies (nomen) verdeeld die door een provinciale leider (nomarch) werden aangestuurd. De hooggeplaatste ambtenaren van deze periode bouwden hun graftombes in de buurt van het graf van de farao om hem ook in het hiernamaals te kunnen dienen en hun hoge positie is zichtbaar aan hun rijke graven.

Naast politiek leider, was de farao ook religieus leider. Hij werd beschouwd als de reïncarnatie van de god Horus op aarde en was de opperpriester die als bemiddelaar fungeerde tussen de mensheid en de vele goden. Alleen de farao werd door de priesters toegang verleend tot de meest heilige plaats van de tempel: het huis van de godheid waar een cultusbeeld de god of godin vertegenwoordigde.

De farao was verantwoordelijk voor maät, wat vrij vertaald zou kunnen worden als ‘kosmische orde’ of ‘stabiliteit’. Maät was overal en van cruciaal belang voor de Egyptenaren: van het opkomen van de zon elke dag tot het overstromen van de Nijl elk jaar. Het concept Maät werd gevisualiseerd middels een struisvogelveer en dit was ook het attribuut van de gelijknamige godin.

egypt_dauingevekten

Scene uit het Egyptische Dodenboek waarbij het hart van de overledene wordt gewogen. Aan de andere kant van de weegschaal is de struisvogelveer van Maät te zien. Woog het hart zwaarder dan de veer, dan werd deze verorberd door het monster Ammit.

De canon van de Egyptische kunst

Een mooi voorbeeld van ‘orde’ is terug te zien in de oud-Egyptische kunst. In de Vroegdynastische periode vond er een formalisering van de kunsten plaats die ten tijde van het Oude Rijk verdere vorming kreeg en nu bekend staat als de ‘canon’ van oud-Egypte.

Egyptische kunst zou door de tijd heen aan de artistieke conventies van het Oude Rijk vasthouden (enkele innovaties daargelaten), zoals het gebruik van registers op muren, maar ook de gebruikelijke lichaamsverhoudingen van mensen en goden. Op muren worden figuren meestal van een gecombineerd voor- en zijaanzicht voorzien. Zo is de torso naar voren gedraaid, maar zijn het hoofd en de benen van de zijkant te zien.

Kunst werd op grote schaal ingezet, bijvoorbeeld om monumentale gebouwen te decoreren (schilder- en beeldhouwkunst) en de grootste opdrachtgever was de farao en met hem staat. 

De bouwers van de piramides

De bekendste nalatenschap van het Oude Rijk zijn de piramiden van befaamde farao’s als Snefru, Cheops, Chefren en Mykerinos. Het startsein voor deze enorme grafmonumenten werd gegeven door Djoser, een koning van de derde dynastie (2686 – 2613 voor Christus).

Djoser

De naam Djoser kennen we met name uit latere bronnen en dit was vermoedelijk zijn geboortenaam. Zijn ‘Horusnaam’ was Netjerichet en deze naam zien we ook terug op monumenten. Het grafmonument van Djoser wijkt behoorlijk af van de graven die men voorheen liet bouwen.

saqqarah_djeser_02

De trappiramide van Djoser

Zijn trappiramide in Saqqara was weliswaar nog altijd een mastaba, maar bestond nu uit zes verschillende lagen op elkaar gestapelde stenen (in plaats van zongedroogde lemen tichels) en reikte 60 meter hoog. De graftombe van de koning lag nog altijd onderaards en werd omringd door een ingewikkeld gangenstelsel met verschillende kamers. In dit doolhof zijn onder andere schitterende vazen aangetroffen met de namen van voorgaande koningen, maar ook de lichamen van koninklijke familieleden werden in de gangen aangetroffen. Ook een levensgroot beeld van Djoser werd aangetroffen bij zijn grafcomplex en geldt als het oudste koninklijke beeldhouwwerk van deze omvang die in Egypte gevonden is.

saqqarah_djeser_10

Beeld van Djoser in de kelder (serdab) van zijn piramidecomplex.

De tombe van Djoser was van graniet en zijn piramide is het eerste monumentale gebouw dat in steen is opgetrokken. Ook het onderaardse doolhof is in geen enkele andere piramide geëvenaard. De architect van de trappiramide bezat talloze talenten en was de vizier van koning Djoser. Deze man heette Imhotep en hij zou na zijn dood vereerd worden als god van het schrijversambt, de wetenschap en geneeskunde. Zijn heiligdom bevond zich in Saqqara.

Huni en Snefru

De andere koningen van de derde dynastie trachtten de trappiramide van Djoser te evenaren. Zijn opvolger, Sechemchet, was nogal wat van plan gekeken naar het grondoppervlak van zijn graf in Saqqara. Als Sechemchet een langer bewind was gegund, zou het een enorm complex zijn geweest met circa zeven treden, echter hij zwaaide slechts zes jaar de scepter.

De twee volgende koningen kozen voor andere plekken voor hun grafmonumenten. Chaba begon aan de bouw van een gelaagde piramide in Zawiyet-al-Aryan (1,5 kilometer van Gizeh vandaan), maar deze kwam niet van de grond. De poging van Huni, de laatste farao van de derde dynastie, leverde meer op. Hij koos een compleet andere plek op 80 kilometer van Caïro vandaan: Meidoem aan de rand van de Fayoem.

meidoum_pyramide_003

Piramide van Huni in Meidoem

Zijn piramide bestaat nog uit drie van de zeven treden, heeft een scherpe hoek en reikt circa 65 meter hoog. Vermoedelijk heeft Huni, die 24 jaar lang over Egypte regeerde, zelf niet zijn piramide voltooid, maar heeft hij dit te danken aan een bekende piramidebouwer uit de vierde dynastie: Snefru, zijn schoonzoon. Snefru heeft zelf ook twee eigen piramides op zijn naam staan: de knikpiramide en de rode piramide in Dahsjoer (een archeologische site die deel uitmaakt van de necropolis van Memphis).

MINOLTA DIGITAL CAMERA

De knikpiramide van Snefru

Cheops, Chefren en Mykerinos

De zoon en opvolger van Snefru bouwde voort op het succes van zijn vader en op de vorm van de rode piramide. Cheops (of Chufu) was namelijk verantwoordelijk voor de grote piramide op het plateau van Gizeh, ten zuidwesten van Caïro. De piramide van Cheops behoort tot een van de Zeven Klassieke Wereldwonderen. Zijn zoon Chefren (of Chafra) zou de tweede kleinere piramide van Gizeh hebben laten bouwen. Ook de beroemde sfinx bij zijn complex wordt aan hem toegekend. De laatste en kleinste van de drie piramides op het Gizeh-plateau wordt aan de zoon van Chefren toegekend, Mykerinos (of Menkaure).

giza-1756946_1280

De piramides van het Gizeh-plateau

Verval in de vijfde en zesde dynastie

In de vijfde en zesde dynastie van het Oude Rijk gaat het langzaam maar zeker bergafwaarts met Egypte. Er zijn nog wel een aantal innovaties zichtbaar, zoals het gebruik van een tweede cartouche voor de koningstitulatuur en de toenemende status van de zonnegod Ra in de staatsgodsdienst en daarbij behorende zonnetempels. Het gezag van de farao takelt echter om verschillende redenen af.

Zo trekken de koninklijke familieleden zich steeds verder terug uit hoge posities en is er een groeiende invloed en rijkdom van de elite buiten het hof waarneembaar. Deze verschuiving is zichtbaar in de graven: die van de koninklijke familieleden worden bescheidener terwijl die van lokale bestuurders steeds rijker worden dankzij vergaarde rijkdommen uit de portemonnee van de farao. Er is sprake van een decentralisatie van het toezicht en oppervlakkige loyaliteit richting de koning. Niet alleen de status van de farao slonk, maar ook de inhoud van de schatkist. Laatstgenoemde had ook te maken met de matige overstromingen van de Nijl waardoor er op het gebied van belastingen weinig te halen viel.

En dan waren er nog de priesters die belast waren met de dodencultus van de overleden farao’s. De piramiden waren namelijk niet enkel een graf en aandenken aan de koning: de farao werd hier postuum vereerd en verzorgd. Deze cultus bestond enerzijds uit het naleven van riten en anderzijds diende men de ka van de koning van offergaven te voorzien, opdat hij zijn leven op aarde voort kon zetten in het hiernamaals. In het geval van Snefru waren er zelfs twee culten, elk bij een van zijn piramides.

Om de cultus naar behoren te volbrengen, ontvingen de priesters donaties en bijdragen uit de staatskas, waaronder in landerijen. Alhoewel de piramides na die van Mykerinos veel kleiner werden en soms niet meer zijn dan puinheuvels, zien we dat de landerijen van de tempels zich toch bleven uitbreiden.

De Piramideteksten

De laatste koning van de vijfde dynastie, Unas, gaf een tegengeluid op dit laatste probleem. Zijn piramide bevindt zich ten zuiden van de ommuring van de trappiramide van Djoser en is de eerste piramide die van binnen versierd is. De voor- en grafkamer bevatten namelijk Piramideteksten: een reeks van ruim 280 religieuze uitingen die op de muren waren uitgebeiteld en met blauwe verf ingekleurd. Deze formules hadden als doel om het welzijn en de overleving van de farao in de Onderwereld te garanderen, ook als de funeraire cultus gestaakt zou worden. Hierdoor was de koning niet langer op de priesterklasse aangewezen. De Piramideteksten zouden na Unas de norm worden in toekomstige graven.

unas_pyramidentexte

De Piramideteksten in de graftombe van Unas

Het einde van het Oude Rijk

Het verval van Egypte raasde verder onder het bewind van Pepi II, met 94 jaar de langst zittende monarch van Egypte. De graven van de elite uit deze tijd tonen een beeld van lokale heersers in plaats van bestuurders, allen met hun eigen belangen.

Pepi II werd opgevolgd door zijn zoon Merenre (geboortenaam Nemtyemsaf II) wiens bewind van korte duur zou zijn geweest. De koning die hem op zou volgen is de laatste van de zesde dynastie en hiermee komt het Oude Rijk ten einde. De naam van deze farao was Nitokris, de vrouw van Merenre die van 2184-2181 over Egypte zou regeren. De vraag is echter of ze überhaupt heeft bestaan.

Nitokris volgens Herodotus en Manetho

Er zijn twee antieke bronnen die Nitokris noemen: Herodotus en Manetho. De Griekse historicus Herodotus leefde in de vijfde eeuw voor Christus en kwam uit Halicarnassos (het hedendaagse Bodrum) aan de zuidwestkust van Turkije. Omstreeks 460 voor Christus maakte Herodotus diverse reizen, waaronder naar Egypte (mogelijk heeft hij Egypte zelfs twee keer heeft bezocht).

herodotos_met_91-8

Beeld van Herodotus uit de tweede eeuw na Christus, The Metropolian Museum of Art, New York

Zijn oorspronkelijke doel was om een wereldgeschiedenis te schrijven aan de hand van zijn bevindingen opgedaan tijdens zijn reizen. Later stelde hij dit doel bij en kreeg zijn werk een ander centraal thema: het conflict tussen de Grieken en de Perzen en de grootse prestaties van beider kanten gedurende de Grieks-Perzische oorlogen. Zijn levenswerk (de Historiën – in het Nederlands vertaald, geannoteerd en ingeleid door Drs. Hein L. van Dolen) stelde hij vermoedelijk rond 430 voor Christus op schrift vast vanuit Athene.

Nitokris wordt in boek 2, paragraaf 100 genoemd in de Historiën. Hier spreekt Herodotus over een koningslijst met de namen van 330 farao’s die na de eerste farao over Egypte regeerden. Deze lijst zou opgetekend zijn door priesters en de koningen zouden stuk voor stuk mannen zijn geweest, met uitzondering van één: Nitokris. Herodotus zegt het volgende over haar:

“Over haar gaat het verhaal dat zij de moord op haar broer heeft gewroken. De Egyptenaren hadden hem namelijk uit de weg geruimd om haar op de troon te zetten, maar zij heeft een groot aantal van hen in de val laten lopen en met de dood gestraft. Daarvoor liet zij een gigantische ruimte onder de grond maken en onder het voorwendsel dat zij die wilde inwijden nodigde zij hierna alle mannen uit die in haar ogen de hoofdschuldigen waren. Maar zij was in feite iets heel anders van plan, want op het hoogtepunt van het feestmaal liet ze het water uit de rivier via een wijde, verborgen pijpleiding binnenstomen. Ik heb ook nog gehoord hoe het is afgelopen: zij heeft zich na haar gruwelijke daad hals over kop in een kelder vol glooiende as opgesloten om daardoor haar verdiende straf te ontlopen.”

Herodotus heeft weinig goeds over Nitokris te zeggen. Manetho daarentegen noemt haar ‘moediger dan alle mannen van haar tijd en de mooiste van alle vrouwen met een bleke teint en roze wangen‘.  Hij kent haar 12 regeringsjaren toe evenals de verantwoordelijk voor de bouw van de derde en kleinste piramide van het Gizeh-plateau waar ze ook begraven zou liggen: de piramide van Mykerinos (of Menkaure).

Nitokris: Farao of legende?

Hoeveel waarheid er in het verhaal van Herodotus en Manetho schuilt, is moeilijk te zeggen. Om te beginnen de moord op Merenre. Volgens de Koningslijst van Turijn was het bewind van Merenre (of Nemtyemsaf II, de broer en echtgenoot van Nitokris) van zeer korte duur, namelijk een jaar en een maand. Ook Manetho (die de koning Menthesouphis noemt) zegt dat hij een jaar heeft geregeerd.  Dit zou kunnen wijzen op moord. Aannemelijker is echter dat Merenre op hoge leeftijd was toen hij de troon overnam van zijn vader Pepi II die erg lang over Egypte zou hebben geregeerd. Hij zou dus mogelijk aan de gevolgen van ouderdom kunnen zijn bezweken.

Het bestaan van Merenre kan in elk geval aangetoond worden door minstens één artefact waarop de naam Nemtyemsaf staat. Het betreft een zogenaamde valse deur die vlakbij de piramide van Neith is gevonden, vermoedelijk de moeder van Nemtyemsaf. Op de deur is het volgende geschreven: ‘de oudste zoon van de koning (zijnde Pepi II) Nemtyemsaf’.

Voor wat betreft het verhaal van Manetho, kan er met zekerheid worden vastgesteld dat Nitokris niet de derde piramide van Gizeh heeft laten bouwen. Deze vergissing van Manetho is mogelijk te wijten aan het feit dat de ‘Troonnaam’ van Nitokris (Menkara) veel weg heeft van Menkaure.

In het geval van haar bleke teint en roze wangen haalt Manetho mogelijk opnieuw twee mensen door elkaar. In de Griekse handelsnederzetting Naukratis (gezeteld in de Nijldelta), zou volgens Herodotus een zekere courtisane hebben geleefd in de zevende eeuw voor Christus die Rodophis heette (rodophis betekent ‘rozengezicht’ in het Grieks). Tevens geeft Herodotus aan dat menige Griek gelooft dat de piramide van Menkaure in feite toebehoorde aan Rodophis, maar dat dit op hun onwetendheid over deze vrouw duidt (Herodotus Historiën, boek 2.134). 

Netjerkare Siptah I: laatste farao van het Oude Rijk

Lange tijd werd gedacht dat Nitokris ook op de Koningslijst van Turijn werd vermeld. Op een van de snippers wordt een zekere Nitiqreti genoemd die twee jaar, een maand en een dag zou hebben geregeerd. De naam Nitiqreti werd eerst gezien als een verbastering van de naam Nitokris. Bij nader onderzoek bleek de naam echter verkeerd geïnterpreteerd te zijn en zou het een verbastering zijn van een zekere koning Netjerkare Siptah I. Deze koning wordt ook op de koningslijst van Abydos genoemd en hij zou de opvolger van Nemtyemsaf II zijn geweest.

Qua antieke teksten heeft Nitokris dus niet bepaald een sterke zaak en op archeologisch vlak is haar naam nog niet geattesteerd. We kunnen daarom bijna met zekerheid vaststellen dat ze niet bestaan heeft. 

De volgende keer

In het volgende artikel blog ik over koningin Sobekneferoe: een koningin die wel degelijk heeft bestaan en farao van Egypte was in het Midden Rijk. Tevens was ze de inspiratiebron van de befaamde Hatsjepsoet.

Advertenties