De tweede in de reeks van grote koninginnen uit het Oude en Midden Rijk is Koningin Merneith die in de Vroegdynastische periode leefde en mogelijk de eerste vrouwelijke farao van Egypte was. Hieronder volgt haar verhaal, maar allereerst een korte uiteenzetting over de tijd waarin deze koninklijke vrouw leefde.

De Vroegdynastische periode

Onder de Vroegdynastische periode worden de eerste drie dynastieën van het vereende Egypte geschaard (± 2950 – 2613 voor Christus). Deze periode borduurt voort op de ontwikkelingen die in de Predynastische Periode plaatsvonden, waaronder de formalisering van een kunststijl die door de hele geschiedenis van Egypte heen min of meer een ‘statisch’ karakter zou behouden.

In de Vroegdynastische periode verschuift het machtscentrum van Egypte van het zuiden (Opper-Egypte) naar het noorden (Neder-Egypte). Hier stichtte koning Hor-Aha, de opvolger van Narmer, namelijk een nieuwe stad op het hoogste punt van de Delta: Memphis wat ‘Witte Muur’ betekent. Abydos verloor hierdoor haar politieke betekenis, maar diende nog wel als begraafplaats van de koningen van de eerste en deels tweede dynastie.

Alhoewel de koningsgraven uit de eerste dynastie zwaar zijn geplunderd en uitvoerige muurschilderingen – zoals we deze kennen uit het Nieuwe Rijk – ontbreken, is de naam van de overledene vaak te achterhalen middels objecten die grafrovers minder interessant vinden. Te denken valt aan houten en ivoren jaarlabels, maar ook steles, stenen potten en vazen die meegingen als grafgift en waarop de naam van de overledene is geschreven.

panorama_saqqarah_sud1

Panorama over Saqqara

De woestijnvlakte achter de stad Memphis werd in gebruik genomen als necropolis voor de elite en wordt Saqqara genoemd. Er zijn hier indrukwekkende grafmonumenten aangetroffen uit de Vroegdynastische periode en men ziet een trend van steeds rijkere en grotere graven, of mastaba’s. Het graf bestond uit een of meerdere ondergrondse grafkamers en opslagruimten waar bovenop een structuur werd gebouwd (gelijkend op een bank) van zongedroogde lemen tichels. Mastaba betekent dan ook ‘bank’ in het Arabisch.

mastaba-faraoun-3-kopie

Voorbeeld van een mastaba

De aanwezigheid van deze graven van hoge ambtenaren duidt op een toenemende organisatie van het bestuursapparaat binnen de Egyptische samenleving die mogelijk werd gemaakt door het exploiteren van ’s lands hulpbronnen. De uitvinding van het schrift tegen het einde van de Predynastische periode zal administratie verder hebben gestimuleerd en vergemakkelijkt.

Koningen van de eerste dynastie

Koning Den

De namen van enkele koningen uit de eerste dynastie kennen we middels een Koningslijst die in de tombe van een van deze koningen is aangetroffen; de zogeheten ‘Zegel van Den’. In het graf van koning Den, die circa 2930 – 2910 voor Christus over Egypte regeerde, is een zegelafdruk in klei aangetroffen waarop de namen Narmer, Hor-Aha, Djer, Djet en Den worden vermeld.

Over Koning Den weten we aardig wat dankzij ruim vijftig houten en ivoren jaarlabels waarvan het merendeel is teruggevonden in zijn graf in Abydos (‘graf T’). Daarnaast verschijnt zijn naam veelvuldig in de graven van hoog aangestelde mannen in Saqqara. Deze jaarlabels en graven geven het beeld van een koning die meerdere innovaties introduceerde en andere ontwikkelingen op het gebied van administratie en organisatie, kunst, architectuur en religie promootte. Een belangrijke innovatie die werd geïntroduceerd tijdens zijn bewind was het gebruik van Egyptische cijfers waardoor belasting kon worden gecalculeerd en belangrijke jaargebeurtenissen opgetekend.

Een andere innovatie is zichtbaar in de titulatuur van Den. Zo wordt de Nesoet-bit-naam (nswt bit), of ‘Troonnaam’ voor het eerst toegepast: een van de vijf titels van de farao die werd aangenomen bij het bestijgen van de troon en ‘Koning van Opper- en Neder-Egypte’ betekent. Koning Den is ook de eerste koning die geattesteerd wordt met de dubbele kroon: de pschent die een samensmelting vormde van de rode en witte kroon. Deze voorstelling is aangetroffen op een ivoren jaarlabel uit zijn graf in Abydos. Op een andere ivoren label heeft hij ook de naam Nebti Chasety gekregen wat ‘Man van de Woestijn’ betekent. Daarnaast zien we hoe de dorsvlegel (nekhakha) – een van de twee regalia van de farao – voor het eerst wordt gebruikt bij Den.

umm_el-qaab

De Umm el-Qaab necropolis die ook wel ‘Moeder der potten’ wordt genoemd vanwege de vele potten(scherven) die hier zijn aangetroffen. Deze potten zij hier door pelgrims en priesters achtergelaten en hebben te maken met de verering van Osiris die hier plaatsvond

Tot slot toont de tombe van Koning Den – gelegen in de Umm-el-Qaab necropolis in Abydos die geassocieerd wordt met de koningen van de eerste dynastie – verschillende innovatieve elementen. Zo is zijn graf de grootste en meest fijngebouwde tombe in deze zone. Daarnaast heeft de tombe als eerste een trap die naar beneden leidt en stenen elementen naast de gebruikelijke zongedroogde lemen tichels. In de bijgraven rondom het graf zijn 136 lichamen van mannen en vrouwen geteld die mogelijk door wurging om het leven zijn gekomen.

louvre_122006_018_d-kopie

Een oeshabti van Ramses IV (Nieuwe Rijk, 12e eeuw voor Christus in het Louvre- Parijs)

Het betreft hier een begrafenisritueel die typerend is voor de Vroegdynastische periode waarbij dienaren werden geofferd om de koning in het hiernamaals te kunnen blijven dienen en in bijgraven om zijn tombe heen werden begraven. Het ritueel van mensenoffers wordt in de tweede dynastie niet meer geattesteerd, vermoedelijk omdat het te kostbaar en een verspilling van talent was. Als alternatief werden er vanaf het Oude Rijk oeshabti’s meegegeven. Dit waren kleine beeldjes van mummies die in het hiernamaals tot leven konden worden gewekt middels aangebrachte spreuken en dus de koning konden dienen.

Koning Djer en Djet

Ook de tombes van Djer en Djet – respectievelijk de grootvader en vader van Koning Den als we uitgaan dat de opvolging op de ‘Zegel van Den’ correct is en de koninklijke opvolging van vader op zoon ging – zijn aangetroffen in Abydos in de Umm-el-Qaab necropolis. Over hun regering is aanzienlijk minder bekend. Hun naam is aangetroffen op de gebruikelijke archeologische vondsten, zoals jaarlabels, steles en (fragmenten van) objecten zoals vazen, potten en kruiken. Hun naam wordt ook geattesteerd in inscripties en zegelafdrukken in graven in Saqqara.

Koning Djer besteeg de troon waarschijnlijk al op jonge leeftijd en werd hierin bijgestaan door zijn (groot)moeder Neithhotep. Djer zou veel energie hebben gestoken in het samenbrengen van de volkeren van Opper- en Neder-Egypte en een bezoek hebben gebracht aan Boeto en Dep: twee steden in de Nijldelta (Neder-Egypte) die langzaam maar zeker aan elkaar groeiden. Boeto was de tegenhanger van Hiërakonpolis in Opper-Egypte en was bekend om de verering van de godin Wadjet.

Om het graf van Koning Djer in Abydos (‘graf O’) zijn ruim driehonderd lichamen aangetroffen van vermoedelijk bedienden die ten tijde van de graflegging van de koning ook mee werden begraven om hem in het hiernamaals te dienen.

de-god-sokar-osiris-kopie

Voorstelling van Sokar-Osiris uit het Egyptische Dodenboek

De heerschappij van Koning Djet zal vermoedelijk van korte duur zijn geweest. Deze aanname baseert men op een ivoren label waarop wordt aangegeven dat de koning slechts één Sokar-festival had meegemaakt. Het jaarlijkse Sokar-festival werd gevierd in de vierde maand van achet: het overstroming- en zaaiseizoen. Het festival stond in het teken van de god Sokar of Seker die wordt vereenzelvigd met de goden Osiris (god van het Dodenrijk) en Ptah (de ‘Maker’). Het festival in Memphis vierde de creatie van het nieuwe leven (lees: de groei van gewassen) en was daarnaast een bevestiging van de macht van de koning die op aarde als tussenpersoon fungeerde tussen de mensen en de goden. Het Sokar-festival werd vermoedelijk niet elk jaar gevierd, maar om de zes tot tien jaar.

De graven van Merneith

Op de ‘Zegel van Den’ wordt nog een koning genoemd waar enige tijd onduidelijkheid over is geweest, te weten: Merneith, of Merit-Neith. Van deze veronderstelde koning zijn twee graftomben ontbloot. In de eerste dynastie van Egypte was het namelijk gebruikelijk voor een koning om twee tombes te hebben: één in Saqqara nabij de nieuwe hoofdstad Memphis in Neder-Egypte en één in Abydos in Opper-Egypte, het ‘thuisland’. Ook de graftomben van Merneith zijn in Abydos en Saqqara aangetroffen en duiden op een koninklijke status.

In het graf in Abydos werden twee steles aangetroffen met de naam van deze koning. Toen Flinders Petrie dit graf opgroef in 1900 – en het aanduidde als ‘graf Y’ – dacht hij met een mannelijke koning te maken te hebben. Zo heeft het graf een bijzondere ligging, te weten in de Umm el-Qaab necropolis die geassocieerd wordt met de koningen van de eerste dynastie. Het graf van Merneith ligt tussen die van Djet en Den in en doet qua afmetingen (circa 16,5 x 14 meter) niet onder voor de graven van de andere koningen uit deze periode.

Mensenoffers en zonnebarken

Er is echter nog een fenomeen aanwezig dat het graf van Merneith als ‘koninklijk’ betitelt. Bij het uitgraven van de tombe stuitte Petrie namelijk op een ondergrondse begraafplaats met circa 40 bijgraven rondom de grafkamer van Merneith. Aan de hand van de meegegeven grafgiften kan men concluderen dat het hier ook om dienaren gaat die werden geofferd om Merneith in het hiernamaals te dienen. Naast dienaren liggen er hier ook handwerkslieden begraven wiens beroep herleid kan worden aan de hand van het gereedschap waarmee ze ter aarde zijn gesteld. 

472px-map_of_the_tomb_of_merneith-svg1

Het graf van Merneith in Abydos

Tot slot wijst de ontdekking van een zonnebark bij het graf van Merneith in Saqqara (tombe 3503, afmetingen 16 x 43 meter) op een mogelijke koninklijke status. De Egyptenaren geloofden dat de zonnegod Ra elke avond door de hemelse zee Noen voer op zijn zonnebark en gedurende deze reis de slang Apophis moest verslaan. Hij moest 12 poorten passeren, elk voor 1 uur van de nacht, om vervolgens de volgende dag weer als de zon op te komen. Deze reis maakte de zonnegod Ra ook in de Onderwereld en een belangrijk begrafenisritueel in de eerste dynastie had hiermee te maken. Men geloofde namelijk dat de koning via de zonnebark samen met de zonnegod Ra door het hiernamaals kon reizen. Dit ritueel is terug te zien aan het aantal opgegraven boten in Abydos, Saqqara en Helwan (een voorstad van Caïro die vroeger ook dienst deed als necropolis van Memphis).

book_of_gates_barque_of_ra

De god Ra terwijl hij op zijn zonnebark door de Onderwereld vaart. Voorstelling uit het graf van Ramses I (Nieuwe Rijk, eind 13e eeuw voor Christus)

‘Geliefde van Neith’

Naar aanleiding van deze ontdekkingen dacht men aanvankelijk met een mannelijke koning te maken te hebben die tussen koning Djer en koning Djet in regeerde. Dat Merneith een vrouw was met een bijzonder hoge status, wordt duidelijk aan de hand van de volgende aanwijzingen.

Allereerst is er de betekenis van haar naam. Die is duidelijk vrouwelijk en betekent ‘Geliefde van Neith’. Evenals het geval bij koningin Neithhotep, verwijst haam naam naar de moedergodin Neith die in deze periode groot aanzien genoot.

Een tweede clue is op de ‘Zegel van Den’ terug te zien. De andere koningen op de zegelafdruk worden bij hun ‘Horusnaam’ genoemd; een van de vijf namen van de farao. De Horusnaam is de oudste van de vijf en werd geplaatst in een serech, de voorloper van de cartouche. De namen van de koningen op de zegelafdruk van Den staan allen in een serech, behalve die van Merneith. Haar naam wordt aangevuld met het embleem van de godin Neith: de gekruiste boog. Helemaal waterdicht is dit niet: in haar tombe in Saqqara is haar naam namelijk ook aangetroffen op stenen vazen, potten en zegelafdrukken en in één specifiek geval zien we haar naam wel in een serech verschijnen.

Een derde aanwijzing op de ‘Zegel van Den’ is doorslaggevend aangaande haar geslacht. Op de zegelafdruk wordt namelijk ook de titel van Merneith gegeven: ‘Moeder van de koning’. De koning waar de titel naar verwijst is vermoedelijk Den. Met het oog op de opvolging, zou dit kunnen impliceren dat zij de belangrijkste vrouw van koning Djet was.

Of Merneith de eerste vrouwelijke farao van Egypte was, kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Mogelijk heeft ze enige tijd als regentes over Egypte geheerst, alleen of samen met haar minderjarige zoon Den. Gezien de ligging en afmeting van haar tombe in de Umm el-Qaab necropolis van Abydos, de bijgraven die hier zijn aangetroffen, de zonnebark die in Saqqara is opgegraven en het feit dat Merneith als enige vrouw uit de eerste dynastie twee graven kreeg toegewezen, duiden hoe dan ook op een zeer hoge positie. 

De volgende keer

In het volgende artikel leest u meer over Nitokris: farao van Egypte in de zesde dynastie, of een legende….

Advertenties