In de reeks ‘Grote Egyptische Koninginnen van het Oude en Midden Rijk’ blog ik als eerste over Neithhotep, de eerste koningin van een verenigd Egypte. Om deze koningin in de juiste context te plaatsen, is een korte uiteenzetting van de tijd waarin zij leefde, en de aanloop hier naartoe, hieronder kort uiteengezet. Wel moet gezegd worden dat de chronologie van de geschiedenis van Egypte geen statische tijdlijn is, echter continu aan veranderende perspectieven onderhevig is binnen de Egyptologie. Gemakshalve ben ik uitgegaan van de chronologie van Manetho die een canonieke status heeft verworven.

De Predynastische periode

De eerste sporen van menselijke activiteit in Egypte worden zo vroeg als 300.000 voor Christus geconstateerd. Dit verhaal begint echter in de Predynastische periode (5300 tot 2950 voor Christus). Het betreft de tijd vóór het koningschap over een verenigd Egypte en het archeologische erfgoed centreert zich rondom twee belangrijke culturen: de Badari-cultuur en de Naqada-cultuur. Hieronder volgt een korte uiteenzetting over deze twee culturen.

De Badari-cultuur

De Badari-cultuur was gecentreerd in al-Badari in Midden-Egypte. Aan de hand van vondsten, die zijn aangetroffen in graven, kan men stellen dat het hier een egalitaire samenleving betrof. De nederzettingen zijn klein en vaak van tijdelijke aard en de bewoners hielden zich met name bezig met landbouw, veeteelt en het bevissen van de Nijl. Kenmerkend voor de Badari-cultuur is het exceptionele dunwandige aardewerk.

kaart-van-opper-egypte-def

Kaart van Egypte

Naqada I

De Naqada-cultuur kan worden opgesplitst in drie fasen: Naqada I, II, en III. De Naqada I-cultuur (4000-3500 voor Christus) leek in veel opzichten op de Badari-cultuur, echter de nederzettingen waren groter en welvarender. Ook was men meer ‘honkvast’. In de kunst wordt er tijdens Naqada I een belangrijk motief geïntroduceerd binnen de Egyptische kunst dat veelvuldig terug zou keren: de zegevierende krijger.

Naqada II

Tijdens Naqada II (3500 – 3200 voor Christus) vindt er een belangrijke ontwikkeling plaats: de egalitaire maatschappij evolueerde in een gelaagde samenleving met een elite, een hoofdman en de overige bewoners. Dit is terug te zien in de vorm en inhoud van de graven en de verschillende vormen van onderkomens. Daarnaast is er een toenemende specialisatie in handwerk zichtbaar, waardoor men kan vaststellen dat bepaalde mensen in de maatschappij tijd hadden om zich hierin te specialiseren en mogelijk onderhouden werden middels landbouwoverschotten. Dit impliceert een zekere mate van arbeidsverdeling en organisatie binnen een gelaagde maatschappij.

De dorpen van Naqada II lagen gecentreerd aan de Qena-bocht van de Nijl in Opper Egypte (Zuid-Egypte), echter er waren ook enkele grotere politieke en religieuze centra zoals Hiërakonpolis en Abydos. Een ander groot centrum met een sterk economisch belang was Naqada. De naam zelf betekent ‘Goudstad’ en vermoedelijk lagen er mijnen in de buurt waar metalen werden gedolven.

Naqada III

Naqada III is de laatste en belangrijkste fase binnen de Predynastische periode. In deze tijd (3200 – 3000 voor Christus) vond namelijk de unificatie van Opper-Egypte (het zuiden) en Neder-Egypte (het noorden) plaats. Tevens werd in deze periode het startsein gegeven voor de kenmerken van de oud-Egyptische beschaving ‘as we know it’, waaronder het koningschap en de conventies binnen de Egyptische kunst.

De jaarlijkse overstroming van de Nijl leerde men in deze fase tot in de puntjes beheersen middels een goed georganiseerde irrigatie. Hierdoor ontstonden er landbouwoverschotten waardoor er tijd overbleef voor andere activiteiten. Het gevolg was een toenemende gelaagdheid binnen de maatschappij en verschillende rolverdelingen. Tevens zien we dat de nederzettingen alsmaar groter worden en dat deze dorpen met elkaar in conflict raakten.

Koning Narmer

De hoofdmannen van de Naqada III fase zullen forse schreden hebben gezet richting een eenwording van Egypte. In een vroeg stadium van Naqada III zal Opper-Egypte al een eenheid zijn geweest onder één koning die vanuit Abydos regeerde. De unificatie van Opper- en Neder-Egypte in 2950 voor Christus wordt echter aan één man in het bijzonder toegekend: koning Narmer. Manetho daarentegen noemt Koning Menes als eerste koning van Egypte die het land zou hebben verenigd. Ook de eerste koning in de Koningslijst van Abydos is een zekere Meni. Mogelijk was Menes een epitheton van Narmer en is het dus een en dezelfde persoon. Gemakshalve ga ik hier van Koning Narmer uit.

De toekenning van de eenwording aan Narmer is gebaseerd op de belangrijkste bron die wij hebben inzake de unificatie: het schminkpalet van Narmer dat in 1898 in Hiërakonpolis werd ontdekt. Aan de ene kant van het palet is koning Narmer groot afgebeeld en draagt hij de witte kroon van Opper-Egypte. Rechts van hem zit zijn vijand die hij bij zijn haren heeft vastgepakt. Zijn linkerarm houdt hij omhoog en hij staat op het punt zijn vijand met een knotskop te slaan. Aan de andere kant van het palet wordt Narmer bovenin afgebeeld. Hier draagt hij de rode kroon van Neder-Egypte.

palet-van-narmer

Het palet van Narmer

Aan beide kanten van het palet is de naam van koning Narmer in een serech aangebracht, de voorloper van de cartouche: een ovalen vorm waarin de naam van de koning werd geschreven. De serech is een rechthoekige vorm die lijkt op een paleisfaçade. Bovenop deze vorm zit de Horus-valk waarmee de koningen van Egypte werden geïdentificeerd. Ten tijde van de Naqada-cultuur werd alleen de Horus-valk gebruikt met daarachter de naam van de hoofdman, maar later veranderde dit dus in de serech. 

Neithhotep: vrouw van Narmer en symbool van de eenwording

De vrouw die aan de zijde van Narmer stond was vermoedelijk Neithhotep. Mogelijk was ze een prinses van Neder-Egypte die met koning Narmer van Opper-Egypte trouwde om de eenwording van het land te bezegelen. De locatie van haar graf in Naqada (in Opper-Egypte) versterkt deze symbolisering.

neith-walters-arts-museum-baltimore

Beeld van de godin Neith, Walters Art Museum Baltimore

De veronderstelling dat Neithhotep uit Neder-Egypte kwam, heeft te maken met haar naam. Deze betekent Neith is tevreden en refereert naar de Predynastische godin Neith, beschermster van Neder-Egypte. Neith werd in deze periode beschouwd als moedergodin die de wereld had geschapen en in de vorm van een koe leven had gegeven aan de zonnegod Ra. Tevens was ze beschermster van jagers en wevers en werd ze ook met oorlog geassocieerd. Haar cultuscentrum bevond zich in Saïs. Hier lag een van de oudste en belangrijkste tempels van Egypte, onder andere gewijd aan deze godin, die gebouwd was door koning Hor-Aha, vermoedelijk de zoon van Neithhotep.

Het graf van koningin Neithhotep, of beter gezegd haar mastaba, werd in 1897 door Jacques de Morgan ontdekt in Naqada en wijst op een bijzonder hoge status. Het betreft een ongewoon groot gebouw (circa 23 x 56 meter) gemaakt van lemen tegels en met nissen in de buitenmuren die op een paleisfaçade lijken. Het kreeg direct de naam ‘grote graftombe’ toebedeeld en men dacht aanvankelijk de laatste rustplaats van koning Menes (Narmer) te hebben ontdekt.

In het graf werden cosmetische artikelen, stenen vazen, ivoren plakkaten en klei zegels gevonden met daarop de namen van Narmer, Hor-Aha, en Neithhotep. Haar naam is ook meerdere malen aangetroffen in een serech wat uitzonderlijk is aangezien men er vanuit gaat dat de serech alleen gebruikt werd om de titulatuur van de koning aan te duiden. De serech van Neithhotep is daarentegen wel iets aangepast: in plaats van een valk, zijn de twee gebogen pijlen van de godin Neith toegepast.

Tot slot is de naam van Neithhotep ook in het graf van haar zoon Hor-Aha en van haar kleinzoon Djer (beiden in Abydos) aangetroffen en kennen wij ook haar koninklijke titels: ‘Gemalin van de twee dames’ en ‘Eerste onder vrouwen’. Al met al gaat men er vanuit dat Neithhotep haar man Narmer overleefde en tijdelijk de leiding had over Egypte totdat haar zoon Hor-Aha de teugels over kon nemen.

Een andere mogelijkheid is dat Neithhotep getrouwd was met Hor-Aha en regentes was van hun zoon Djer. Deze hypothese wordt gelinkt aan de Steen van Palermo: een brokstuk dat deel uitmaakte van een Annalensteen waarop de namen van de eerste koningen van Egypte – tot aan de vijfde dynastie – worden genoemd. Hierop wordt een interregnum aangegeven tussen Hor-Aha en Djer dat 1 jaar, 1 maand en 15 dagen duurde en derhalve veel wegheeft van een kort regentschap. 

De volgende keer

In het volgende artikel leest u meer over Merneith: mogelijk de eerste vrouwelijke farao van Egypte.

Advertenties